De ceder van de Libanon

Twee bomen moesten er zeker in de tuin van hun huis op z’n minst staan of anders worden geplant, vond mijn moeder: een ceder en een berk. Het is gelukt en het zegt veel over haar.
Ik werd er vanmorgen, tijdens de derde zondag na Trinitatis (en op Vaderdag), weer bij bepaald in de kerkdienst die ik bijwoonde en de uitzending van Het Vermoeden die ik daarna zag.

De ceder kwam om te beginnen voorbij in Psalm 92:7:

Zolang de cederboom
hoog op de Libanon,
staan bij de levensbron
de nederige vromen.
Die in Gods huis geplant zijn,
zij bloeien in Gods licht
als palmen opgericht.
Het lot zal in zijn hand zijn.

Het is misschien net even een ander beeld van de ceder dan dat ds. Herrianne Allewijn (Landsmeer) erbij voor ogen had (foto links). Zij had het over de ceder als de boom met oprijzende stam en het hoge bladerdak, – een boom die klein maakt. Mijn moeder zou het beeld zeker hebben herkend en gevonden in die andere boom, die van Zacheüs, de vijgenboom. Kwetsbaar als ze was, zoekend naar bevestiging, om Erica Meijers, universitair docent Diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit (vestiging Groningen) in Het Vermoeden aan te halen.

Maar het was óók de boom die met de oorlog te maken had. Een gedachtesprong die ik tijdens de preek maakte, toen drie generaties voorbij kwamen die tijdens een toneelopvoering naar Het Achterhuis van Anne Frank met elkaar in gesprek raakten: zij die de oorlog hebben meegemaakt en er, zoals mijn moeder, diep door zijn getekend, de tweede generatie die er veel van meekregen, zoals ik, en de kleinkinderen die ernaar vragen, zoals een jong meisje dat naast mijn moeder in een ziekenhuisbed in het Bonifatiusziekenhuis in Leeuwarden lag en haar de oren van het hoofd vroeg. Zij deed waar Erica Meijers het over had: ruimte maken voor verhalen van anderen in haar leven.

Die ceder maakt niet alleen klein, in mijn beleving, maar staat óók voor de trots die mijn moeder woorden wilde geven, al lukte haar dat niet altijd: de trotse, rechte stam met dat hoge bladerdak staat dan voor de overlevenden die willen zeggen: We zijn er nog, jullie hebben ons niet klein gekregen! Ze zijn het overblijfsel, waar ds. Allewijn het over had en waar Giorgio Agamben misschien op doelt in zijn boek Wat er overblijft van Auschwitz dat ik momenteel van dominee Anne-Marie Visser te leen heb en lees.

Het is in mijn moeders symboliek eerder de berk die kwetsbaarheid uitdrukt, met de witte stam, de fragiele takken als door een etsnaald getekend en het zacht ruisende bladerdak (foto rechts). Want

Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de HERE, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de HERE, heb gesproken en Ik zal het doen. (Ezechiël 17:24).

Open ogen

In de bundel Open ogen van Remco Campert – die gisteren uit handen van Gijs Scholten van Aschat de (eerste) Kunstpenning van de Akademie van Kunsten ontving – staat een mooi gedicht onder de titel ‘Zeker’:

Er is geen begin en er is geen einde. Ik ben in het
midden. Ik ben dus nergens, niet dichtbij en niet
veraf (…). Kop en
staart zijn onlosmakelijk verbonden (…). Het ene
woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Het gedicht vergezelt me de afgelopen dagen. Vanmiddag, bij een bezoek aan de tentoonstelling Unspoken We in W139 (de tentoonstellingsruimte aan de Warmoesstraat 139 in Amsterdam), die nog t/m 17 juni is te zien, popte het opeens weer op toen ik de inleidende tekst las:

‘Onze levens ontvouwen zich, op het moment dat we tegen elkaar aan duwen, aan elkaar trekken en tegen elkaar aanwrijven, als we op dingen steunen en op concepten en biologische materie kauwen (…). Unspoken We (…) neemt de herkomst van dit woord als beginpunt en grondconcept: aanraking, vervuilen, omgaan met, schenden of nabij zijn (…). Er wordt een verhaal samengesteld uit verstrooide hoofdstukken waarin elk personage, elke spatie, elk woord en elke pagina een potentiële vervuiler is voor de anderen.’

Maar ook – laten we het positief zien – een verhaal waarin elk woord een potentiële opening biedt; een woord in het midden leunt op het woord dat links stond en rechts volgt. Het ene woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Dit was heel duidelijk toen wij afgelopen zondag tijdens de Open Klooster Leesclub van Jos Oegema en Annette Bak in Amsterdam, in het bijzijn van de auteur, het schitterende boek Het raadsel van goed en kwaad. Over wat mensen beweegt van Christien Brinkgreve bespraken. Ik ga niet uit de school klappen, maar een ding mag in het verband van het gedicht van Campert en de tentoonstelling in W139 wel worden genoemd.
Een woord dat in het boek veelvuldig terugkomt, is ‘contact’. Het is de kern, het midden zeg maar van het raadsel, het duwt en wrijft, is nabijheid, maar het verwijst ook naar de moeilijkheid en de tekortkoming van taal (en van definities in de wetenschap). Het is het gevolg van een worsteling in het zoeken naar een woord dat nog niet ‘bezet’ of ‘besmet’ is en je naar een wereld voert waar je niet wilt verkeren.

Er valt me bij het nadenken hierover een zin uit het schitterende boek van Brinkgreve toe: ‘Het geheim is het aangeraakt worden door andere, weldadige krachten’ (p. 137). Geen vervuiler – maar weldaad. In fysieke zin, even een hand op je arm voelen, en in overdrachtelijke zin: aangeraakt worden door – in Brinkgreve’s geval – de Goldbergvariaties van Bach of Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Ik kan het helemaal meevoelen – zeker na het lezen van Campert en het bezoeken van de tentoonstelling in W139.Over open ogen gesproken!

Link naar Spinazie nr. 2 (samenwerking tussen iFilosofie en OBA), waarin Christien Binkgreve spreekt over haar boek: https://vimeo.com/274252502

Wereldberoemde Symfonieorkesten

Enkele jaren geleden kwam het gezaghebbende tijdschrift voor klassieke muziek, Gramophone, met een ranking van werelds beste, traditionele symfonieorkesten. Internationale recensenten zetten ze in een lijst van twintig achter elkaar.
Gisteravond was het laatste concert in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van en in het Concertgebouw in Amsterdam: de Berliner Philharmoniker o.l.v. Sir Simon Rattle.
Tijd om de balans op te maken, en te kijken of ik het met de ranking van Gramophone eens kan zijn.

In genoemde serie traden naast de Berliner Philharmoniker achtereenvolgens op: het Boedapest Festival Orkest – de Münchener Philharmoniker – het Gewandhausorchester Leipzig  en de London Symphony Orchestra.
Gramophone heeft ze aldus ingedeeld:

17. Leipzig Gewandhaus
9. Budapest Festival Orchestra
4. London Symphony Orchestra
2. Berlin Philharmonic

De Münchener kwam dus niet in het rijtje voor (wel dat van de Beierse omroep uit deze stad), wel (op plaats 1) het niet in de serie opgenomen Koninklijk Concertgebouworkest, dat ik verleden jaar o.l.v. Daniele Gatti een haast wel zo mooie zo niet mooiere Negende symfonie van Bruckner hoorde spelen – onvoltooid, en dat is misschien beter zo.

Mijn rijtje komt overeen met dat van Gramophone.

5. Het orkest uit Leipzig gaf o.l.v. Andris Nelsons een doorsnee uitvoering van Mozart veertigste symfonie en idem dito zesde van Tsjaikovski. Ik had me zeer op Nelsons verheugd, maar dit was een tegenvaller.
4. De Münchener Philharmoniker kwam met Valery Gergiev om Brahms’ derde symfonie en Strauss’ Ein Heldenleben over het voetlicht te brengen. Vreemd, die ongelijke inzetten in de strijkers.
3. Het Budapest Festival Orchestra had Bach, Mozart (een pianoconcert met Emanuel Ax) en Tsjaikovski’s vierde symfonie op de lessenaars staan. Dirigent was Iván Fischer. Wat mij vooral bekoorde waren de zoevende contrabassen – geweldig intrigerend.
2. Bij het London Symphony Orchestra kreeg ik steeds meer het gevoel dat ze in de serie ‘Wereldberoemde symfonieorkesten’ thuishoorden. Heel precies spel dat o.l.v. Michael Tilson Thomas – wat een genot deze dirigent eens mee te mogen maken! – een prachtig Sibelius-programma speelde.
1. En toen kwam de Berliner Philharmoniker als sluitstuk met onder meer de negende symfonie van Bruckner, in een voltooide versie, o.l.v. Sir Simon Rattle, die met zijn afscheidstournee bij dit orkest bezig is. Ik heb het orkest eerder gehoord, met een gastdirigent en in de tijd dat Abbado er voor stond en dat viel vies tegen, maar ondertussen kan beaamd worden wat in Gramophone stond: ‘During that time we have changed and developed’. Inderdaad – konden ze me toen niet zo bekoren, nu was het de top. Een groot, haast te groot volume, maar ook fluisterzacht en doorzichtig (hoewel misschien iets minder dan de LSO). En dan nog eens o.l.v. de door mij al lang bewonderde Rattle. Ik hoop hem in Londen weer eens te kunnen horen. Dat moet het einde zijn.

Belofte voor de toekomst

 

Op de een of andere manier lijkt het Fjordenhus, het door kunstenaar Olafur Eliasson en het architectuurteam van Studio Olafur Eliasson (foto rechts) dat op 9 juni a.s. opent in Vejle (Denemarken) op een geslaagd huwelijk tussen de architectuur van Zaha Hadid (1950-2016) en de nationale romantische stijl zoals je die in bijvoorbeeld Riga (Letland, foto links van Els van Swol) tegenkomt.

Hadid omdat het huis, net zoals dat ook bij haar wel het geval is, uit het water komt en een verbinding maakt tussen in dit geval het fjord en het centrum van Vejle (Jutland). Er is duidelijk sprake van een relatie tussen het gebouw met het water waarin de gebogen randen de oevers en de haven weerspiegelen. Er is ook duidelijk, door de holtes, sprake van een relatie tussen binnen en buiten.

De nationale romantische stijl van Letland omdat het gaat om cilinders, die in dit geval elkaar kruisen en worden opgestuwd tot achtentwintig meter hoogte. Er is een complex geheel ontstaan, van gebogen, cirkelvormige en elliptische vormen. Het gebouw – het hoofdkantoor van KIRK KAPITAL – verwijst echter niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst van Vejle.

Na jaren van onderzoek naar hoe een mens waarneemt, hoe beweging overkomt, hoe licht, natuur en ruimte worden beleefd, is een organisch totaalkunstwerk neergezet dat er mag zijn; Eliasson ontwierp ook het interieur met meubels en verlichting. Vorm en inhoud zijn een, in die zin dat de gebogen cilinders onze waarneming wijzigen wanneer we erdoor lopen. Dat kan, want de begane grond is ook voor bezoekers toegankelijk.

Eliasson is van plan zich meer richting architectuur te bewegen. Samen met de architect Sebastian Behrmann wil hij projecten van een omvang vergelijkbaar met het Fjordenhus gaan uitvoeren. Er zijn al internationale plannen. Het Fjordenhus is een monumentaal gebouw geworden dat je evenzeer sculpturaal kunt noemen. Het is een gebouw met een verhaal, in relatie met de omgeving en de mensen die het al vanaf het treinstation van Vejle lopend naar de haven kunnen zien. En in dat verhaal ligt volgens mij een belofte voor de toekomst verborgen, met oog voor het (nationale) verleden.

Twee verschillende taalspelen

Op 19 maart 2016 hield Paul Juffermans (foto rechts), die ik altijd graag mag horen spreken, een lezing voor de Vereniging Het Spinozahuis ‘over de vermenging en scheiding van theologie en politiek’ in Spinoza’s Theologisch-Politiek Traktaat (TTP). Tijdens de a.s. studieweek van de Vereniging, 23 t/m 27 juli in Barchem, staat het onderwerp eveneens op de rol. Ook in zijn proefschrift (in een handelseditie in 2003 uitgegeven door Damon) had hij al een onderzoek gedaan ‘naar de verschillende betekenissen van religie in het oeuvre van Spinoza’.
Nu kwam, als nummer 112 van de Mededelingen vanwege het Spinozahuis, Juffermans’ studie over ‘Spinoza’s dubbele deconstructie in het Theologisch-Politiek Traktaat’ uit. Veel zal de lezer daarvan inmiddels bekend voor komen, maar voor wie dat niet geldt, hier een bespreking.

Juffermans geeft in zijn inleiding aan, dat de TTP uit twee delen bestaat: een theologisch en een politiek deel. In het eerste deel gaat het over de scheiding tussen filosofie en theologie, in het tweede over wat Juffermans noemt de  ‘deconstructie van de kerk als een zelfstandig politieke macht van de staat’.

In het eerste deel gebruikt Spinoza filosofische en theologische begrippen door elkaar, waarbij het volgens Juffermans diens bedoeling is ‘de betekenis van theologische termen’ te ontmantelen. Het gaat immers om ‘twee waarheidsdomeinen, die van de rede aan de ene kant en die van de openbaring en het geloof aan de andere kant’. Daaruit volgt ‘de deconstructie van de kerk als zelfstandige politieke macht’.

Juffermans onderkent een paradox in deze scheiding. Hij wijst daarbij op ‘voor de rede ontoegankelijke attributen uit het portret van God’.  Hij doelt daarbij op de voorstelling van God als bijvoorbeeld barmhartig en rechtvaardig, voorbeelden die hij verderop noemt. Spinoza erkent wat de filosofie betreft alleen de rede, en voor de theologie vroomheid. Dat laatste houdt moreel handelen in, waarmee Spinoza in feite – voeg ik toe – aansluit op het joodse denken en het Hebreeuwse woord dabar dat zowel woord als daad betekent.

Juffermans stuit hierbij op een paradox, die – vul ik ook hier aan – overigens al in de Bijbel voor komt bij bijvoorbeeld het begrippenpaar chèsed ve emet (genade en waarheid), respectievelijk een theologisch en een filosofisch begrip in de betekenis die Spinoza er in zijn sensus verus (authentieke betekenis) aan zou hechten, hetgeen hij in een brief aan Willem van Blijenbergh ‘twee verschillende taalspelen’ noemt: ‘narratieve taal en die van definities, begrippen, bewijzen en redeneringen’.
Daarom kan de theologie niet dienen als grondslag voor het ontwikkelen van politieke filosofie. Laat staan dat de kerk een zelfstandige politieke macht kan vormen, een staat binnen een staat.

Juffermans komt tot wat hij noemt ‘Enkele conclusies’. Hij stelt dat ‘Spinoza (…) de “waarheid” van de godsdienst’ situeert ‘op het morele vlak’ en dat ‘men hier de betekenis van de term (…) zou moeten omschrijven als morele waarachtigheid’. Om echter in de volgende conclusie te stellen dat ‘door de deconstructie van de theologie als domein van waarheid en haar herleiding tot een praxis van vroomheid’ de grondslag van een theologische twist als tussen remonstranten en contraremonstranten in Spinoza’s tijd wordt ontnomen.

Wanneer Juffermans stelt dat Spinoza door de scheiding van kerk en staat in twee zelfstandige domeinen, ‘zich bij uitstek een modern filosoof toont’, zou ik graag dóór willen denken: de kerk is dan weliswaar geen staat binnen de staat, en valt wanneer bepaalde rituelen in strijd komen met de wet terecht onder het staatsgezag, maar al in de tijd van Spinoza waren er predikanten die zich verzetten tegen de slavernij en heden ten dage als Vluchtelingenkerk, als opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, is het een groot goed wanneer de kerk zich tegen het wanbeleid van de staat kan keren. God zij dank, zou ik zeggen.

Met alle respect voor ‘het behoud van al die verworvenheden en vrijheden, aan het ontstaan waarvan zij [Spinoza en andere tolerantiedenkers uit de tijd van de Verlichting]  een belangrijke bijdrage hebben geleverd, aldus Juffermans, denkend aan de vrijheid van godsdienst en meningsuiting: het zou toch leuk zijn als Ruben Endedijk en Michiel Zonneveld ook wat het laatste aspect betreft in de huid van Spinoza kropen en hem daarover interviewden, zoals zij dat onlangs deden met betrekking tot de klimaatverandering (in: Filosofie Magazine, juni 2018, p. 12-13). Ik ben benieuwd wat daar dan uit zou komen.

Ora et labora

Twee keer heb ik hem op deze blog hard aangevallen (10 februari 2014, 25 september 2015), maar eerlijk is eerlijk: nu heb ik reden om te wijzen op een prachtig artikel van hem (dat is Bram Grandia) in Kerk & Israël Onderweg (juni 2018, p. 15).
Ik wil op drie punten wijzen die mij in het bijzonder al lezend raakten en voeg er een aan toe.

Dorothee Sölle
De eerste theoloog die hij noemt, is Dorothee Sölle (foto links). Hij verwijst naar een titel van een boek van haar, Mystiek en verzet dat je voor hetzelfde geld kunt vervangen door Bid en werk (de titel van Grandia’s artikel) of, met frère Roger van Taizé, ‘contemplatie en strijd’.
Ik kan me Dorothee Sölle herinneren van een bijeenkomst op een zondagochtend in een school van St. Gallen, waar ze – als ik het goed heb – niet ver vandaan een (vakantie)huis had. Ze sprak eigen teksten tussen de delen van de Misa Criolla die toen werd uitgevoerd. Toen er applaus op volgde, niet in het minst voor haar bijdrage, voelde zich aangesproken en zei: ‘Ach, het hele leven is één toegift, dus toe maar’.

Huub Oosterhuis
Eigenlijk heb ik, moet ik bekennen, nooit zoveel met Huub Oosterhuis’ werk gehad, maar dat verandert de laatste tijd een beetje. Hier lees ik, voor het eerst, zijn prachtige hertaling van het Onze Vader:

Onze Vader verborgen
uw naam worde zichtbaar in ons
uw koninkrijk kome op aarde
uw wil geschiede, een wereld
met bomen tot in de hemel,
waar water schoonheid, en brood
gerechtigheid is, en genade –
waar vrede niet hoef bevochten
waar troost en vergeving is
en mensen spreken als mensen
waar kinderen helder en jong zijn,
dieren niet worden gepijnigd
nooit één mens meer gemarteld,
niet één mens meer geknecht.
Doof de hel in ons hoofd
leg uw woord op ons hart
breek het ijzer met handen
breek de macht van het kwaad.
Van U is de toekomst
kome wat komt.

‘Met die laatste regels’, schrijft Grandia, ‘zingen wij ons de hoop binnen’. En hij noemt de naam van Jürgen Moltmann en diens ‘theologie van de hoop’, beïnvloed door Das Prinzip Hoffnung van Ernst Bloch.

Krijn Strijd
En hij noemt de naam van Krijn Strijd (foto rechts), hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Amsterdam in de tijd dat ik daar stage liep. Strijd, nieuwsgierig naar een nieuw gezicht, sprak mij aan, vertelde dat zijn dochter ook op de Bibliotheekacademie had gezeten en dat hij sindsdien geen boek meer in zijn kast kon terugvinden … Zijn naam was mij al bekend, uit mijn ouderlijk huis. Wat ik niet wist dat hij in ongeveer hetzelfde jaar als dat ik daar rondliep, 1973, een artikel had geschreven dat heet ‘Verder werken zonder grote toekomstvisioenen’. Grandia noemt het en gaat erop in: ‘Hij vraagt zich daarin af of het spreken over hoop en visioenen niet een vlucht is naar een voor ons zo nodige schuilhoek. Hij eindigt zijn artikel met de woorden die voor mij vandaag ook gelden, zij het in een andere situatie: “Durven we na Vietnam nog iets te hopen? Nee. Op grond waarvan? Zie de situatie en de verstoktheid waarmee de mensheid met de geest van gister de wereld van morgen binnentrekt. Toch werken wij verder. Zonder grote toekomstvisioenen. Zonder grote woorden. Alleen: in dienst. En zo verbonden met profeten en apostelen. En met Hem, die sprak: “Ik ben in het midden van u als een die dient”.’

Friedrich-Wilhelm Marquardt
In gedachten ga ik automatisch terug naar een zaterdagochtend enkele weken geleden, toen ik voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie in de Amsterdamse Thomaskerk een inleiding hield over ‘Het kwaad het hoofd bieden’; de tekst staat op deze blog. Ik sprak onder meer de volgende woorden: ‘Neimans geschiedopvatting die uit Het kwaad denken spreekt, kan worden omschreven als een categorie die “ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen”. Geschiedenis wordt op deze manier door haar als een vooruitgangsgeschiedenis gezien en hoop zou je met Wessel ten Boom ‘de geloofstaal van Israël’ kunnen noemen’. En ik haalde de wijsgerig theoloog Jean-Claude Wolf aan, die ook heeft gesproken over de hoop.
In het nagesprek, na de pauze, wees Wilken Veen op een uitspraak van de theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt, die – net als Strijd, al werd die uiteraard niet genoemd – zich heeft afgevraagd of er na de Tweede Wereldoorlog nog sprake kan zijn van hoop. Een keer heb ik hem live gehoord en zijn naam kom ik nu regelmatig tegen, al werkend aan een kleine monografie over Henk Vreekamp.
‘Hoe dan ook’, schrijft Grandia tot slot van zijn mooie artikel: ‘Werken aan herstel van gerechtigheid’. Dáár gaat het om. In het klein en in het groot. Maar eerst: klein beginnen.

Requiem

Op de kop af 106 zou ze vandaag zijn geworden, maar dat lag verre van in de lijn der verwachtingen. Mijn moeder werd slechts, of toch nog – het is hoe je het bekijkt – 74 jaar. Op zo’n dag als vandaag denk je uiteraard meer aan haar. En toeval of niet: in dagblad Trouw staan vandaag verschillende stukken waarin het over moeders gaat. En ook die raken me diep.

Eerst las ik dat van Stijn Fens: ‘Je ouders sterven niet één keer, maar honderden keren. Bij het overlijden van elke vriend en ieder familielid van hen, gaan ook zij weer een beetje dood’. Sterker nog: ook een beetje wanneer een vriend en familielid van jezelf overlijdt.

Ik weet nog hoe heftig ik het overlijden van Tine van Hees beleefde, een oud-docente en inmiddels vriendin van me. Dat was kort nadat mijn moeder overleed. Alles kwam in hevige mate binnen.
Fijns – van wiens vader, Kees, ik op dezelfde opleiding als waar Tine van Hees als hoofd verbonden was les heb gehad – citeert een liedje van de Engelse band Coldplay: ‘Those who are dead are not dead, they‘re just living in my head’.  Een waarheid als een koe.

Even verder op las ik de rubriek ‘Klassiek & Zo’ van Peter van der Lint. Hij had het over Ein deutsches Requiem van Brahms. Het deed me terugdenken aan in dit geval mijn vader. We zouden samen er een keer, in Leeuwarden, een uitvoering van bijwonen, maar hij had medicijnen die over de datum waren ingenomen en lag ziek in bed, dus dat ging niet door. Maar kort na zijn overlijden had een vriendin van mij een kaartje van een uitvoering van dit meesterwerk van Brahms in het Amsterdamse Concertgebouw over en ik kon mee. Het stuk kwam in hevige mate binnen, dus ik kan me Van der Lints reactie op een uitvoering in Parijs, drie jaar terug, levendig voorstellen: ‘Het was een idee van choreograaf Sasha Waltz en haar man om de koorleden tussen de toeschouwers te laten bewegen (…). Een blootvoetse sopraan legde haar hand op mijn schouder en zong – louter voor mij, zo leek het – “Sie sollen getröstet werden”.’ De tekst die doet denken aan die op de ingang van de begraafplaats bij de Zendingskerk in Ermelo, waar mijn ouders begraven liggen.

Het derde en laatste stuk waarin een moeder voorbij kwam, was de bijdrage over Louis Gauthier in de rubriek ‘Ik heb een droom’. Gauthier is journalist, componist, muziekprogrammeur en presentator. Hij had het over zijn inspiratiebron Gerrit Komrij – en ik zag mijn moeder weer zitten met de krant op schoot. Het eerste dat ze opsloeg was de column van Gerrit Komrij, die in 1976 verscheen in ‘haar’ krant, waar mijn vader en zij elkaar ontmoetten. ‘Weet je wel hoe oud ik ben?’ vroeg ze. ‘Ja’ antwoordde mijn vader en het was geen beletsel.
Het is zoals Gauthier besluit: ‘Mijn moeder is drie jaar geleden overleden, maar ik ervaar duidelijk haar nabijheid’. Mijn moeder is veel langer geleden overleden, maar vandaag, op haar verjaardag, ervaar ik haar nabijheid des te meer.

Rafelranden

Bij een bioscoop vond ik in een rekje met kaarten een gedicht van ‘ada’. Het is geschreven naar aanleiding van Wonen aan de Amstel en kan worden gevonden op hun website (zie link hieronder). Een strofe trok in het bijzonder mijn aandacht:

Met de expat en de migrant
De rasamsterdammer en de yup
Neem ik mijn plaats in op de oude rafelrand
En word ik onderdeel van een club

De rafelrand – dat doet mij denken aan een boek van David Hamers, Niemandsland die het heeft over de rafelranden van de stad, tussen stad en platteland, legaal en illegaal, formeel en informeel. The place to be eigenlijk. En dat vindt ada dus ook.

Het doet me ook denken aan de schilderijen van Günther Förg (1952-2013) die van 26 mei t/m 14 oktober te zien zijn in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Edo Dijksterhuis schreef erover in Museumtijdschrift (mei/juni 2018) onder de kop ‘Rafelige schilderijen’. Dat gaat zo: ‘Zijn schilderijen hebben altijd iets rafeligs, alsof ze niet helemaal af zijn. De hand van de maker is opzettelijk zichtbaar.’ Zie de afbeelding van Untitled (1973) bij deze blog (Speck Collection, Keulen).
Dijksterhuis citeert Rudi Fuchs uit een tekst bij diens tentoonstelling ‘Couplet 4’: ‘Günther Förg is geen abstracte schilder, hij is een romantisch-expressionist, de vormentaal laconiek geleend, de kleuren zwaar zingend als een bronzen klok.’ Het is, concludeert Dijksterhuis, ‘toeëigening om de vorm.’ Relatief, ‘zonder morele of politieke lading. De typering “decoratief” wordt dan vaak gebruikt om zijn werk te omschrijven (…). Als er al een inhoudelijke boodschap is, dan wordt die overstemd door Förgs formalistische acrobatiek.’

Het rare is wat ik niet weet wat ik van de inhoud van ada’s gedicht moet denken. Het gaat om iets rafeligs, oké. Is het iets romantisch, zwaar zingend als een bronzen klok met zinsneden als

Nee, geef mij maar het groene Amstelkwartier
Op de heilige grond van de Blooker fabriek.

Heeft het nu wel een morele of politieke lading, of is het louter decoratief? Ik weet het niet. Eerst zien, dan geloven – in dit verband zou het zomaar op kunnen gaan.

Dat geldt ook voor wat ik in de Daklozenkrant (nr. 6/2018) las onder de kop ‘Stieftram’. Anne Salomons schrijft over het feit dat ‘bij het Haarlemmermeerstation woningen gebouwd worden [waardoor] het hele terrein’ waarop de museumtrams staan gestald en waarvandaan elke zondag lijn 30 vertrekt, door het Amsterdamse Bos naar Bovenkerk. ‘Een van de laatste schitterende rafelranden van de stad wordt dan opgepoetst en duur verkocht.’ Het geeft te denken, net als dat gedichtje van ada.

 

https://ada-amstel.nl/locatie/

Tijd en ruimte

Een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar en een recente cd van de Mark Haanstra en Oene van Geel deden mij weer een keer grijpen naar het schitterende boekje De sabbat. Zijn betekenis voor de moderne mens van Abraham Joshua Heschel.

Dat zit zo. In Alkmaar vallen schilderijen van onder meer Salomon van Ruysdael van de Grote of St. Laurenskerk te zien (zie afb.). Onder meer, want er vallen ook al even mooie foto’s en een film van die kerk van Hans van der Meer te bewonderen.
Van der Meer heeft het er over dat de kerk in de tijd van Ruysdael in de ruimte was gezet, terwijl we de kerk nu meer in de tijd plaatsen. Dat wil zeggen: de kerk was in de tijd van Ruysdael (ca. 1664) een landmark, terwijl het gebouw nu kan worden getoond, zoals in de film, met verstrijkend licht – door de dag en de seizoenen heen verschietend van licht naar donker en van intensiteit.

‘Het grote probleem [voor rabbijn Shimeon, ca. 130, EvS] was’, schrijft Heschel, ‘tijd en niet ruimte; de opdracht was hoe tijd in eeuwigheid te veranderen en niet hoe de ruimte te vullen met gebouwen, bruggen en wegen; en de oplossing van het probleem ligt eerder in studie en gebed dan in meetkunde en techniek’ (p. 42).

En daar komt de nieuwe cd Shapes of Time van Haanstra & Van Geel (Zennes Records) om de hoek kijken. Muziek van grote klasse. Jazz of geïmproviseerde modern-klassieke muziek, dat is mij om het even. Als je de cd opzet, klinkt de muziek in het hier-en-nu. Terwijl je ernaar luistert verstrijkt de tijd, als bij een film van Van der Meer. En ook weer niet: er gebeurt iets met je, en het lijkt of tijdloosheid je overvalt. Of er sprake is van een eeuwigheid in de zin van Heschel.
Bassist Haanstra (die ik nog niet kende) en altviolist Van Geel (wiens werk ik al geruime tijd bewonder) lieten zich inspireren door een andere fotograaf: Udo Prinsen. Op de omslagfoto van het boekje bij de cd verschijnt niet zozeer een landschap zoals dat bij een Ruysdael op de voorgrond van zijn schilderij prijkt, maar de verstrijkende tijd. Dat hoor je terug in de muziek, met kleine verschillen in ritmiek; Haanstra met zijn ‘lopende bas’ (bij barokmuziek spreken we van een basso continuo) en Van Geel die er, de jazzmuziek eigen, net even een fractie daarna komt. Prachtig – die muziek, die schilderijen in Alkmaar. En nog steeds dat boekje van Heschel dat ik eens in de zoveel tijd móet herlezen.

Het kwaad het hoofd bieden


Op zaterdag 12 mei jl. hield ik voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie in de Thomaskerk een lezing n.a.v. mijn MA-scriptie. Ik onderzocht daarin, in het kader van de studie kunst- en cultuurwetenschappen, in hoeverre een literair werk in staat is te voorzien in de door Susan Neiman (foto rechts) in haar filosofische studie Evil in modern thought (
Het kwaad denken, 2002) gesignaleerde lacunes in het begrippenapparaat van de filosofie.

Tijdens deze ochtend werd, na Neimans studie kort in kaart te hebben gebracht, de vraagstelling omgebogen, en bekeken in hoeverre het werk van twee godsdienstfilosofen, Ingolf U. Dalferth en Jean-Claude Wolf, een alternatief kan bieden om het kwaad te duiden. Met andere woorden: op welke punten zijn twee theologische studies in staat te voorzien in de door Susan Neiman gesignaleerde lacunes bij het thematiseren van het kwaad? De tekst van deze lezing plaats ik hier.

  1. Inleiding

Op de een of andere manier heb ik voor zowel mijn Bachelor- als mijn Masterscriptie gekozen voor een filosoof waarbij de uitspraak van de naam discutabel is. Voor mijn Bachelor schreef ik een scriptie over Emmanuel Levinas – gewoon: Le, zonder accent erop, al wordt zijn naam vaak uitgesproken als Lévinas, wat op zich wel te verklaren is.
En voor mijn Master schreef ik een scriptie over Susan Neiman – door de één (onder anderen Colet van der Ven, die haar interviewde) uitgesproken op zijn Amerikaans: Nieman, door de ander op zijn Duits als Neiman. Ook deze twee varianten zijn te verklaren, – de filosofe werd in 1955 geboren in Amerika, maar haar joodse voorouders komen uit Rusland en Polen. Tegenwoordig woont en werkt ze in Berlijn als directeur van het Einstein Forum. Hoe dan ook – ik kies vanmorgen, al dan niet terecht, voor de meest gebruikte uitspraak ‘Neiman.’
Met deze inleidende woorden heb ik automatisch in de slipstream daarvan al enkele biografische gegevens aangestipt, waarbij ik het ook wil laten om meteen in het diepe te springen met haar hoofdwerk: Het kwaad denken. Daar wil ik nu namelijk eerst kort een samenvatting van geven en de hoofdlijnen ervan schetsen, alvorens ik de vraag beantwoord of de theologie lacunes in haar filosofie zou kunnen aanvullen en hoe dan. Iets wat overigens niet geheel buiten de scope van Neimans denken ligt; zij zegt op een gegeven moment in haar boek dat filosofie zonder theologie (en literatuur, maar dat laten we hier buiten beschouwing) slechts kan komen tot ‘fragmentarische antwoorden’ (p. 29).

  1. Korte samenvatting

Neiman onderscheidt – om met de korte samenvatting te beginnen – twee uitingen van het kwaad: natuurlijk en moreel kwaad, en twee denkrichtingen hierover. Natuurlijk kwaad staat voor natuurgeweld, dat zij laat beginnen met de aardbeving van 1755 in Lissabon, en uit ernstige ziekten, – moreel kwaad is het door mensen verrichte kwaad wat zij laat eindigen met Auschwitz. Twee plaatsnamen (Lissabon en Auschwitz) die staan voor de ineenstorting van een basaal vertrouwen in de beschaving en die tevens het begin en het einde vormen van de moderniteit, dat wil in Neimans visie zeggen: de (mede)verantwoordelijkheid van de mens die niet langer de schuldvraag bij een hogere orde legt.
Wat Neiman overigens laat liggen, is het feit dat natuurlijk en moreel kwaad in elkaars verlengde kunnen liggen. Bijvoorbeeld wanneer huizen willens en wetens zó goedkoop worden gebouwd, dat zij per definitie niet bestand zijn tegen een aardbeving of tsunami, of wanneer misoogsten en ontbossing hongersnood tot gevolg kunnen hebben of wanneer economische oorzaken (de gaswinning in Groningen) tot aardbevingen leiden.

Terug naar de twee denkrichtingen. De eerste omvat het denken van Rousseau tot Hannah Arendt, de tweede de lijn die van Voltaire tot Jean Améry. De eerste lijn behelst een poging om het kwaad te begrijpen, in de tweede wordt gesteld dat men het kwaad vanuit de moraliteit bekeken juist níet moet proberen te vatten.
De vraag waar het dan eigenlijk ten diepste om draait, is niet of het gaat over het al dan niet geloven in een Almachtige God die ingrijpt en de mens voor zijn zonden straft, maar over wat de menselijke rede vermag of waaraan deze tekort komt. Op dat punt komt de theologie in beeld.
Laten we nu na deze zeer korte samenvatting, het boek wat nader bekijken.

       3.    De titel: Het kwaad denken

Om te beginnen de titel: Het kwaad denken. Hieruit blijkt, duidelijker dan in de oorspronkelijke titel Evil in modern thought, Neimans verwantschap met het werk van Hannah Arendt, die ze ook veelvuldig citeert. ‘Denken’ verwijst naar Arendts Thinking (1977). Volgens Arendt is denken één van de voorwaarden om je van het kwaad te onthouden. Hierbij kunnen overigens meteen al drie dingen worden aangetekend:

  1. Dat het gaat om logisch denken; het correct uit gegeven beweringen (premissen) een bepaalde conclusie trekken – Neiman hecht hier veel waarde aan
  2. Dat Neiman erkent, dat de ratio haar beperkingen heeft
  3. Dat Neimans geschiedopvatting die uit Het kwaad denken spreekt, kan worden omschreven als een categorie die ‘ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen’. Geschiedenis wordt op deze manier door haar als een vooruitgangsgeschiedenis gezien en hoop zou je met Wessel ten Boom ‘de geloofstaal van Israël’ kunnen noemen. Hier kom ik op terug.

Vervolgens het woord ‘kwaad’. Wie in Neimans studie naar een definitie hiervan zoekt, zal deze niet vinden. ‘Het’ kwaad kan volgens haar niet onder één noemer worden gebracht. Bovendien is een overkoepelende definitie onmogelijk, omdat Neiman natuurlijk en moreel kwaad onderscheidt, van Lissabon tot Auschwitz.
Wat volgt, is een boek waarin de auteur zowel een historisch als een conceptueel kader geeft en waarin zij denkers vanaf de Verlichting volgens de twee lijnen of perspectieven indeelt die ik hiervoor al aangaf:

  1. Een optimistische denklijn, van Rousseau tot Hannah Arendt, waarin moraliteit vereist dat het kwaad wordt begrepen
  2. Een pessimistische manier, van Voltaire tot Jean Améry, waarin wordt gesteld dat we vanuit de moraliteit juist níet moeten proberen het kwaad te begrijpen.

Beide denklijnen zal ik nu nader invullen.

  1. Twee denklijnen

Ik zal mij wat de eerste denklijn betreft beperken tot de beide uiteinden ervan: Jean-Jacques Rousseau en Hannah Arendt, en laat alles wat Neiman daaraan vooraf laat gaan (Alfonso de Wijze, het Bijbelboek Job enz.) omwille van de tijd buiten beschouwing.
Rousseau behoort tot de optimistische denklijn, omdat de positie die hij inneemt, uitzicht biedt op een oplossing. Hij gaat namelijk uit van de vrijheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Als het zo is, dat de kennis van goed en kwaad leidde tot de zondeval, dan kan die kennis ook worden ingezet om de zonde te overwinnen. Neiman schrijft dan:

Het kwaad kwam in de wereld door een reeks natuurlijke, begrijpelijke, maar vermijdbare (en dus vrije) processen. Door dezelfde natuurlijke, maar vermijdbare (en dus vrije) processen aan te passen, kan het kwaad worden overwonnen (p. 72).

Hannah Arendt, aan de andere kant van de tijdslijn die Neiman trekt, stelt in haar beroemde boek Eichmann in Jerusalem uit 1963 dat het kwaad er bij Eichmann vooral in gelegen was, dat hij bevelen van hogerhand opvolgde zonder er bij na te denken. In deze gedachteloosheid, concludeert Arendt, schuilt het kwaad. Er is veel kritiek op deze stellingname geweest, onder anderen van de kant van de filosoof Gershom Scholem; hij verweet Eichmann eerder gebrek aan inlevingsvermogen.

Dan de tweede denklijn, van Voltaire tot Jean Améry.
Door het gehele werk van Voltaire treffen we de opvatting aan, dat wat mensen elkaar aandoen veel erger is dan welke natuurramp ook. Moreel kwaad moet worden uitgebannen. Voltaire ziet geen enkel verband tussen natuurlijk en moreel kwaad. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld.
Jean Améry tenslotte, pseudoniem van Hans Mayer, schrijver en overlevende van verschillende kampen die in 1978 zelfmoord pleegde, keert volgens Neiman terug naar de metafysica, in die zin dat hij waar Auschwitz symbool voor staat als iets onuitsprekelijks beschouwt; na zijn beroemde boek Schuld en boete voorbij, heeft Améry niet meer over de kampen geschreven, maar gezwegen. Hij was de mening toegedaan dat je het kwaad moet voorkomen, door te proberen te begrijpen hoe in ieder mens een beul schuilt.
Neiman zelf eindigt het hoofdstuk over de tweede denklijn met de constatering dat het denken over het kwaad zowel een waarom-vraag is als de verwondering van een kind nodig heeft. Verwondering ervaren we op de momenten dat we de wereld, even, zien zoals hij zou moeten zijn, maar we moeten ook het lijden in de wereld onder ogen zien zonder het te romantiseren en dus misschien zelfs door het te willen begrijpen.
Maar wat is dan het alternatief, als dit er al is? De categorische imperatief van Immanuel Kant (‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’) of de gulden regel van Hillel ( ‘Wat jij verafschuwt, doe dat ook je naaste niet. Dat is de hele Torah, de rest is commentaar. Ga heen en leer!’)? Daarmee komen we aan bij alternatieven die enkele wijsgerig theologen wellicht kunnen bieden.

  1. Ingolf Dalferth

Dalferth is een Duitse wijsgerig theoloog wiens werk zich beweegt op de grens van filosofie en hermeneutiek. Het boek dat ik bij mijn Masterscriptie betrok heet Malum. Theologische Hermeneutiek des Bösen. Volgens Dalferth is het kwaad de afwezigheid van het goede, of – zoals Sytze de Vries een keer zei – daar waar God niet is of wil zijn.

Dalferth onderscheidt het kwaad op twee fronten: 1) als een denkprobleem (Het kwaad denken) en 2) als een levensprobleem, en – net als Neiman – als natuurlijk kwaad (pijn en het lijden dat we ervaren) en moreel kwaad (misdaad), als malum physicum en malum morale. De overeenkomst bestaat uit het leed dat zij veroorzaken.
Ten aanzien van natuurlijk kwaad maakt Dalferth een kanttekening. Hij gaat hierbij in op de categorie ‘ervaren.’ Een begrip dat volgens hem leidt tot problemen en onwenselijke consequenties. Hij stelt dat het kwaad pas kwaad is wanneer het iemand schade toebrengt en leed veroorzaakt. Van fysiek kwaad kan alleen sprake zijn wanneer natuurverschijnselen leed toebrengen aan zowel mens als dier. Een aardbeving die geen mensenlevens kost, valt daar volgens hem dus niet onder, waarmee hij het psychische leed dat deze wel degelijk kan veroorzaken veronachtzaamt.
De oorsprong van het kwaad en het leed dat het toebrengt, zoekt Dalferth niet in God, maar in het geschapene zelf dat keuzes kan maken en verantwoordelijkheid draagt. De oorsprong wél in God zoeken, is volgens hem een provocatie die vergaande gevolgen kan hebben, tot uiteindelijk het binnen zowel bepaalde stromingen van het jodendom als christendom levende idee dat de Sjoah Gods straf is voor zogenaamd ongeloof van joden aan toe of – binnen het christendom – het feit dat de joden niet tot het christendom over willen gaan.
Dalferth komt uit bij een God die lijdt áán de schepping en meelijdt mét Zijn schepping, een God die aanwezig is in het lijden, een God die inbreuk doet in de geschiedenis en ons oproept mee te helpen die geschiedenis te voltooien. Immers: ook Neiman kent, zoals we zagen, geschiedenis als een categorie die ‘ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.’ Alleen gaat zij hier verder niet op in.
De vraag is nu, waarop je deze hoop kunt bouwen. Daarvoor gaan we te rade bij Jean-Claude Wolf, hoogleraar ethiek in Freiburg (Zwitserland), die zich ook intensief met het thema ‘kwaad’ bezighoudt.

  1. Jean-Claude Wolf

Wolf maakt zich in zijn studie Das Böse en – nog duidelijker – in een lezing die hij op 20 november 2014 in Bamberg hield voor de Unesco-Welttage der Philisophie een wending richting hoop. Daarmee geeft hij niet alleen een invulling die aan immanentie doet denken, maar vult zo tevens een lacune in het filosofisch denken van Neiman op.

In genoemde lezing benoemt hij het begrip ‘hoop’ als een ‘voor christenen en niet-christenen een soortgelijke houding als homo viator, als pelgrim, die de waarheid nog niet helemaal in pacht heeft, maar alleen stukjes daarvan.’ Een uitspraak die overigens doet denken aan de eerder geciteerde opvatting van Neiman, dat filosofie gefragmenteerde antwoorden heeft op het kwaad.
Vervolgens richt Wolf zijn aandacht op het verloop van het begrip ‘hoop’ binnen de filosofie, vanaf de Verlichting. In die periode begint de mens er volgens hem eindelijk mee om de geschiedenis zelf vorm te geven. Het lot is niet langer in handen van goden en tirannen. De geschiedenis zelf maken, houdt volgens hem revolutie, democratie en mensenrechten in. Wolf vervolgt met de hoop te zien als een gave, waarbij hij verwijst naar een beroemde vraag van Kant – Neimans lievelingsfilosoof; zij beschouwt zichzelf als Kantiaan – ‘Wat mogen wij hopen?’ Dus niet: wat kúnnen of wat zúllen wij hopen?
Tenslotte bespreekt Wolf de plaats die de hoop inneemt binnen het existentialisme. Hierin is ‘de hoop er om de heldhaftige overwinning van wanhoop en berusting in een wereld van het absurde te weerstaan.’ De auteur gaat hierbij in op het werk van de schrijver Albert Camus die, zoals Neiman reeds aan het eind van haar studie liet zien, de hoop overhoudt om een halt toe te roepen aan het idee dat de anderen de hel zijn, zoals Sartre meent. Wolf legt een ander accent en ziet de hoop als homo viator, als mens die onderweg is en moet werken aan een betere wereld waarin verzoening mogelijk is.
We naderen het eind en stellen ons de vraag: zijn Dalferth en Wolf in staat om de lacunes op te vullen die Neiman in het begrippenapparaat van de filosofie signaleerde?

Conclusie

Ik wil nu tot een conclusie komen.
Neiman stelt dat het denken over het kwaad stoelt op het vertrouwen in het denken, de menselijke ratio. Veel denkers zeggen haar dat nu ook nog steeds na. De mens moet in volle bewustzijn kiezen tussen goed en kwaad. Een veronderstelling die nauw samenhangt met een optimistisch vooruitgangsgeloof in de maakbaarheid van de samenleving.
Dalferth corrigeert dit deels en stelt daar iets naast of tegenover. Om te beginnen dat het kwaad geen denkprobleem is, zoals Neiman stelt, maar een existentieel probleem. Wolf laat het belang zien van het exodus- of uittochtmotief; volgens de predikant Ad van Nieuwpoort in de voetsporen van Karel Deurloo enkele weken terug in zijn preek tijdens een dienst in deze kerk hét Bijbelse motief bij uitstek, waarop ook het Opstandingsverhaal is gebaseerd. Een motief dat Wolf bij uitstek in het perspectief van hoop en verzoening plaatst. Hoewel de uitgangspunten van beide denkers, Wolf en Dalferth, op een christelijke achtergrond en interpretatie berusten, gaat deze interpretatie dit kader te boven. Immers: het menselijk lijden dat Dalferth beschrijft, en het pelgrimsmotief dat Wolf aan de menselijke ervaring hecht, kunnen ook seculier worden geduid.
De vraag is dan niet alleen of grote noties als vergeving en verzoening al dan niet mogelijk zijn, maar ook of, en zo ja hoé mensen in het klein, in het dagelijks leven samen kunnen leven. Zuid-Afrika, maar niet alleen daar, heeft aangetoond dat dit kan. Niet alleen door aan een betere samenleving te werken, maar ook door de hoop toe te laten dat dit kan. Daar staat een ook in het Westen inmiddels bekend begrip als het Zuid-Afrikaanse ‘ubuntu’ voor; wij kunnen het kwaad uitbannen en samenleven, omdat we elkaar, haast Levinasiaans, in de ogen kijken en met elkaar in gesprek gaan.
Hiermee komen we bij de niet-westerse filosofie, die Neiman niet bij haar studie heeft betrokken. Nog een lacune – maar dat is een ander verhaal.

Omslagontwerp (links boven): Yve du Bois (afbeeldingen: Goya en Roger Toulouse, gebaseerd op de omslagen van resp. Evil in modern thought van Susan Neiman en Le rapport de Brodeck van Philippe Claudel.