Februari 1979 in Leeuwarden

Mijn ouders dachten dat ik weer eens schielijk overdreef, toen ik zei in Leeuwarden (waar ik toen woonde en werkte) ingesneeuwd te zijn en de deur niet uit te kunnen. Ze hadden er nog niets van gehoord. En dat kan kloppen, want het Journaal besteedde er niet of nauwelijks aandacht aan. Ik deed dat wel eens meer, overdrijven, vonden ze. Bijvoorbeeld toen ik zei dat mijn huis heen-en-weer ging tijdens een hevige storm. Op tien hoog voelde ik dat en zag het aan de lamp boven de eettafel.  Ik had het van niemand vreemd; mijn peettante had er ook een handje van. Zo zag ze eens olifanten in de straat. Totdat mijn ouders een keer zelf zo’n storm meemaakten en de speling in de galerijflat (gelukkig maar!) voelden. Tot ze hoorden dat die circusolifanten op weg waren geweest naar hun standplaats. Er was zelfs een foto van. Het was allemaal echt gebeurd c.q. menens geweest. Een foto van het circus, gemaakt door een collega van mijn vader van het – toen nog- Algemeen Handelsblad en een Sneeuweditie van de Leeuwarder Courant bewijzen het. Ook nu nog. Ik heb ze nog steeds, die foto en die Sneeuweditie.

Het waren een paar aaneengesloten dagen, half februari 1979. Op de eerste dag ging het nog wel, met moeite weliswaar. Ik moest naar de tandarts en de bus reed door de ijzel niet over de Voorstreek, uit angst in het water te glijden. Ik was ruim op tijd weggegaan, maar kwam toch veel te laat. De tandarts, die blijkbaar om de hoek woonde en/of nog niets in de gaten had, vroeg droog waarom ik te laat was. Ik was wat bang voor de grote man met lange baard en halflang haar, maar vroeg even droog of hij de lolligste thuis was. Dat was een keerpunt; opeens toonde hij niet alleen interesse in mijn gebit, maar vroeg ook wat ik eigenlijk van mijn vak was. Daarna was ik niet bang meer en hij vriendelijk. Het kan verkeren.

Maar de omstandigheden werden steeds erger. De sneeuw bleef maar vallen, de noordoostenwind nam stormkracht aan. Er was geen brood meer te krijgen. De storm zorgde ervoor dat de sneeuw bij mijn voordeur zó hoog was opgewaaid, dat ik de deur niet meer uit kon. En dus ook niet naar mijn werk. Openbaar vervoer reed er niet, auto’s waren op de straatweg blijven steken. Zelfs op mijn werk geloofden ze me op dat moment niet helemaal (mijn ouders stonden niet alleen), maar aangezien het voor meer mensen uit de buitengewesten van Leeuwarden gold, hoefden we later toch geen vrije dag op te nemen.

De vrouw van mijn hoboleraar moest bevallen, en ze werd met een helikopter van de luchtmachtbasis, even verderop, van huis naar het ziekenhuis vervoerd. Als ik me goed herinner waren er zelfs voedseldroppingen; ik zou er de Sneeuweditie nog eens op na moeten slaan. Want misschien overdrijf ik dat wél.

The Wave en Occupied – twee Noorse film(serie)s

Dit (boven rechts) was zo’n beetje het openingsshot van de Noorse film The Wave (2015) van Roar Uthaug die afgelopen woensdag op RTL7 viel te zien: enkele cruiseschepen die voor anker liggen in het Geirangerfjord in Noorwegen. Ze kunnen in dit kleine fjord niet aanmeren, zodat de ontscheping met tenderboten gebeurt. Afgelopen zomer heb ik het meegemaakt, zodat het shot een feest der herkenning was. In de wetenschap dat een cruiseschip zware en goedkope stookolie gebruikt, dat wel weer.

Een feest ja, want hoe Corina Schwingruber cruisen neerzet in haar documentaire All inclusive die enkele dagen ervoor door de VPRO werd uitgezonden, als een decadent ‘varend vakantiefort met luxe interieurs en non-stop entertainment’ herkende ik niet. Met terugwerkende kracht werd dit kwartiertje als een portret van de Titanic.

Want wat gebeurde er in The Wave? Een bergwand boven het Geriangerfjord stort in en veroorzaakt een tsunami van tachtig meter hoogte. Het draait om de familie van een geoloog, zijn vrouw die in een hotel werkt (hetzelfde hotel waar ik afgelopen zomer voor op een hop off hop on-bus stond te wachten), zijn scatende en met zijn mobieljte bezig zijnde zoon en een dochtertje dat aan huis verknocht is. Zij proberen te overleven. De vrouw (Ane Dahl Torp)  laat een bus voor haar neus vertrekken, omdat zoonlief zoek is. Hij blijkt in de keldergewelven te zijn gaan scaten en ze raken er, samen met een andere hotelgast, ingesloten. De man (Kristoffer Joner) is met hun dochtertje per auto wel de bergen in kunnen vluchten, maar keert terug op zoek naar zijn vrouw en zoon. De afloop verraad ik niet, want daar gaat het mij hier niet primair om.

Op de aftiteling van de film stond te lezen dat de bergwand jaarlijks zestien centimeter méér aan speling laat zien. Een schrikwekkend idee. Of het met de klimaatverandering te maken heeft, werd niet duidelijk gemaakt, maar die kloofvorming boorde voor  mij (excusez le mot) nog een diepere laag in de film aan, die staat voor alle mogelijke kloven die de wereld ontwrichten en die – zal ik straks aantonen – kenmerkend is voor Noorse films.

Eigenlijk zijn ze wel bekend, die kloven: tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen Noord en Zuid, tussen Oost en West. Ze lijken – schijnt de film te zeggen – niet of nauwelijks te dichten. Nee, het wordt alleen maar erger. Tenzij we het tij (excusez le mot) kunnen keren. Tenzij de politiek zich niet verschuilt onder falsificaties en luistert naar wetenschappers die het kunnen weten of naar Urgenda en de rechterlijke macht die ze op de vingers tikt. Niet naar de rijken en het bedrijfsleven, maar naar de jongeren zonder stemrecht maar wél met een stem van jewelste, daar op het Haagse Malieveld.

De film is niet zo absurd als het leek, bleek wel uit de aftiteling. Net zoals het eerste seizoen van de Noorse serie Occupied naar een idee van John Nesbø niet zo absurd is: Rusland houdt met steun van de EU Noorwegen bezet. Ik heb ze gezien, de boten die de grens bewaken. En ze boezemden angst in. Wat speelde er in de film? Noorwegen besluit uit milieuoverwegingen te stoppen met productie en uitvoer van olie en gas. De EU is ervan afhankelijk, vandaar de steun, terwijl ze Noorwegen zouden moeten beschermen.

Het lijkt wel of schrijvers en filmers (en spijbelende kinderen op het Haagse Malieveld) beter door hebben hoe laat het is, dan de neoliberale politiek. Mogen onze ogen ook nog verder opengaan dan ze misschien inmiddels al een beetje zijn gegaan!

Winterreise

Je kunt niet overal bij zijn en daarom is het fijn dat verschillende zendgemachtigden concerten opnemen en rechtstreeks of kort na de uitvoering uitzenden. Zo was afgelopen maandag, 4 februari jl., in het Avondconcert op NPO Radio4 een opname te horen die de NTR maakte van een concert door bariton Thomas Oliemans en pianist Paolo Giacometti van twee dagen ervoor in Musis Arnhem. Op het programma stond Schuberts Winterreise.

Vrienden van mij kwamen enige tijd geleden terug van een korte vakantie naar Berlijn met een programmaboekje van de openingsweek van een nieuwe concertzaal daar, de Pierre Boulez Saal. Daarin stonden twee mooie essays over de Winterreise, die tijdens de openingsweek was uitgevoerd door Christian Gerhaher en Daniel Barenboim.

Susanne Ziese, een van de auteurs in het boekje, heeft de Winterreise opgedeeld volgens tempo en met aandacht voor andere vormelementen, zoals toonsoort: matig, in gaande beweging – langzaam – iets langzaam. Susan Youens, de tweede, Amerikaanse auteur in het boekje maakte een inhoudelijke indeling: een reis vol zelfontdekking – illusies en verlangens – epiloog.

Twee indelingen die mij dit keer anders deden luisteren naar de complete liedcyclus; zouden Oliemans en Giacometti zich ook aan een van deze, of een andere, eigen, opdeling houden? Laat ik om te beginnen zeggen dat hun grandioze vertolking bestond uit een lange spanningsboog, die ingehouden begon (‘Der Mai’ uit Gute Nacht, het eerste lied) en eindigde (‘O umbarmherz’ge Schenke’ uit een van de laatste liederen, Das Wirtshaus).

Het was bijzonder knap hoe zij de liederen aan elkaar regen; het eerste lied eindigt met een echo, het tweede kende een echo in het voorspel van de piano. Het woord ‘Herzen’ in dat tweede lied (Die Wetterfahne) kende een hartenklop, het derde op gelijke manier vallende tranen.

Ik meende te bespeuren dat beide musici zich, al dan niet bewust, aan de indeling van Ziese hielden; Irrlicht klonk opeens wat inniger dan de voorgaande liederen. Ziese opent er haar tweede sectie (Langzaam) mee.
Opvallend was ook dat na Das Wirthaus  een relatief lange rust werd ingelast, en voor het laatste lied, Der Leiermann, een relatief korte. Volgens Ziese verklankt dit lied de dood als utopie, Youens ziet het als een vraagteken waar geen antwoord op mogelijk is. In ieder geval volgde er vanuit de zaal een doodse stilte.

Die stilte gold ook een groot compliment aan de uitvoerenden die de zaal, en de radioluisteraars, verrasten met een grandioze uitvoering. Zorgvuldig afgewerkt en eensgezind, op misschien Frühlingstraum na, toen ze elk even een andere weg leken te gaan bewandelen. Het is en blijft steeds weer een enorm indringende ervaring, deze Winterreise. Al dan niet gesteund door opvattingen van Ziese en/of Youens.

Mooi, mooier, mooist

In de Smidskapel van de Amsterdamse Oude Kerk zitten twee oude schalkbeeldjes onder de kap die nog helemaal intact zijn. Het zijn twee vrouwen met een hoge rug, de handen op schoot, schijnbaar om niet helemaal in elkaar te zakken. Boven de beeldjes zit een overhuiving, waar de rug niet tegenaan komt, zoals we van Italiaanse preekstoelen kennen, waar de hyper-kyfose van soortgelijke mansfiguren dragend is voor de kuip.

Er zijn wel symbolische verklaringen voor zulke beeldjes gegeven – bijvoorbeeld in het verlengde van een liedtekst van Tom Naastepad:

            …

            en Hij zal zijn schouders bukken

            onder wet en tijd.

Of als symbool van de overwinning van het kwade, van ziekte en gebrek. Toch scharen veel kunsthistorici dergelijke beeldjes nu onder de vrijheden die middeleeuwse kunstenaars zich veroorloofden en laten de symboliek voor wat het is.

Toch zou het kind hiermee wel eens met het badwater kunnen zijn weggegooid. In zijn boek Kritik der zynischen Vernunft (1983) rehabiliteert de filosoof Peter Sloterdijk een denkwijze die hij ‘kynisme’ noemt. Dat is een vrijmoedige, volkse en groteske vorm van kritiek in de voetsporen van Diogenes. Met name in de middeleeuwen op de rand van de renaissance leefde deze manier van denken op. De bolle fratskoppen van de beeldjes in Amsterdam en Italië staan in deze traditie. Maar misschien meer dan alleen die koppen.

Misschien ook het schilderij Minerva (ca. 1630) uit de omgeving van van Rembrandt, dat momenteel is te zien op de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari – 15 september 2019, zie afb.). Het is achtereenvolgens toegeschreven aan Willem de Poorter, Gerard Dou en Hendrik Gerritsz. Pot. Die vreemd gevormde schouder roept hoofdbrekens op: een onhandigheid van de schilder, een misvormde schouder van Minerva, die ik in de literatuur echter niet ben tegengekomen. Maar wie weet wat voor symboliek erachter zit … In ieder geval zou Aart van der Leeuw het ‘misschien contrefait noemen’ (in: De kleine Rudolf).

Aandacht daarvoor past in ieder geval, wat het ook oplevert, in onze tijd waarin sprake is van wat wel ‘body history’ wordt genoemd, waarbij er interesse is voor die perioden in de geschiedenis (bijvoorbeeld de middeleeuwen van de schalkbeeldjes en de barok van Rembrandt en omgeving) waarin het lichaam even belangrijk was als het verstand.

Sloterdijk stelt het activisme van de moderniteit onder kritiek: snel-sneller-snelst. In zijn lijn doorgeredeneerd, kan degene en datgene dat níet zo snel gaat zijn plaats opeisen, al dan niet gesteund door een sterke patiëntenvereniging. Sloterdijk beroept zich op het begrip ‘Gelassenheit’ van Heidegger. Van de ‘Kehre’ bij Heidegger en de ‘juiste beweeglijkheid’ bij Sloterdijk gaat een rust uit – een zich naar eigen vermogen kunnen én zonder kritiek mogen voortbewegen in een overbeweeglijke tijd.

Het is een attitude die ik ook bij het kijken naar de beeldjes en naar het aan Rembrandt toegeschreven schilderij voel. Wat zich onder kritiek laat stellen, is de houding die mismaakte mensen uitsluit. Snel, -sneller, snelst, mooi, mooier, mooist. Wat heet; zelfs een godin als Minerva is althans op dit schilderij niet moeders mooiste! Dat geeft te denken.

Deels gebaseerd op een in de lente van 2005 verschenen column in Wervelingen.

https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/tentoonstellingen/rembrandt-en-het-mauritshuis/

Boksen is eigenlijk een denksport

Des te ouder je wordt, lijkt het wel, des te meer je bepaalde voorliefdes van je ouders gaat begrijpen. Eén liefde van mijn vader, die voor boksen, probeer ik al lange tijd te doorgronden. Hoe kon iemand die zó vredelievend was en – in spreekwoordelijke zin – nog geen vlieg kwaad deed, van boksen houden? Midden in de nacht stond hij, als hij de slaap niet kon vatten, soms op om op de televisie naar een bokswedstrijd te kijken. Waarvan hij dan de volgende ochtend aan het ontbijt verslag deed. Huh?

Ik herken me om te beginnen niet in een omschrijving van Thomas Heerma van Voss, vandaag in De Groene Amsterdammer. Hij schrijft dat boksen ‘een manier is om alles uit jezelf te halen’, zoals in de filmcyclus Creed. ‘Boksen als middel om jezelf fysiek zo veel mogelijk uit te dagen. Als strohalm voor mensen die niets meer te verliezen hebben, een laatste middel waarmee achtergestelden en onzichtbaren zich alsnog kunnen laten gelden’.

Maar soms komt er een (andere) film of een interview voorbij, waarin iets oplicht: strategisch inzicht was zo’n opmerking die ik op die manier eens opving en onthield. Ja, dat kan wel kloppen – dat had mijn vader zeker. Maar een van de knipplakgedichten van  Vicky Franken die je vanaf vandaag als alternatief poëzieweekgeschenk (Blauw is tweekleurig) bij sommige boekhandels gratis krijgt bij aankoop van een bepaald bedrag aan poëzie, kwam tot nu toe het dichtste bij (zie afb.). Het dichtste bij, omdat het dat strategische in zich draagt en klopt: mijn vader was een groot liefhebber van denksporten: schaken, dammen, puzzelen. En boksen dus.

Ja, dat bundeltje wil ik (ook) graag hebben! Niets ten nadele van het reguliere poëzieweekgeschenk van Tom Lanoye natuurlijk!

http://www.uitgeverijcru.nl/bundels/blauw-is-tweekleurig/

 

De lezer als ‘soort’

In het bundeltje Artikelen des Gedichts van Jan de Bas ‘over dichters, dichten en gedichten’ (uitg. Merwedeboek), dat ik al eerder noemde, staat een hoofdstuk onder de titel ‘Het summum van beeldpoëzie’. De Bas beschrijft drie soorten:

  1. De soort die niet bestaat (‘beeldpoëzie die poëzie is zonder verbeelding’)
  2. De soort die niet bestaan mag (‘gedichten als vorm zonder inhoud’)
  3. De soort die gelukkig bestaat (‘het autonome vers dat in symbiose leeft met het beeld’).

Van de laatste soort staat in de bundel Niet het krassen van de kraai van A.H.J. Dautzenberg een fraai voorbeeld:

Ik denk echter dat er nog een vierde soort bestaat, waarbij de lezer ‘de soort’ is. Namelijk degene die een verband legt tussen een gedicht en een kunstwerk. Zo’n verband kan al lezend en al kijkend ontstaan.

Zoiets overkwam mij tijdens een lezing die Jan de Bas voor Helikon in Utrecht gaf; ik had het er al eerder over, in dezelfde blog als waarin ik het bundeltje Artikelen noemde.
De Bas las om te beginnen een gedicht van eigen hand (uit: Mooiweerbericht, 2014) waarvan de laatste strofe luidde:

Het niet weten als een allerlaatste optie,
die meer een overgave is.
Zie de man op de foto na de natuurramp.
Wie verklaart de ramp? De foto? De man?
En het gedicht over zijn afwezige vrouw
(die wordt gevonden, want het niet weten is nooit altijd)?

Even later kregen wij cursisten de opdracht om drie verbeeldingen van het onzegbare te bekijken, waaronder dat van Lam de Wolf dat ik hierboven heb opgenomen. Het was degene van de drie die de minste uitleg kreeg; een doek van Casper David Friedrich werd beschreven als ‘geen lege wereld, want er staat een kruis op de berg’ en een werk van Ingrid Steenbok als ‘gesloten, in zichzelf, waarvoor je geen taal nodig hebt. Je bent sprakeloos, gedachteloos’.

Op een of andere manier viel voor mij Onzegbaar van Lam de Wolf perfect samen met de laatste strofe uit het voorgelezen gedicht van De Bas. Het ging dan weliswaar niet over een foto, maar de vraag bleef hetzelfde: wie verklaart het onzegbare? Het kunstwerk? Het gedicht?

Allebei samen, denk ik. Het is beeldpoëzie die poëzie is mét verbeelding (1), een vorm mét inhoud (2), een autonoom vers dat samenvalt met het beeld (3). En dat alles wordt erin gelegd door de beschouwer/lezer. Want zonder hem/haar kan het gedicht/beeld niet.

De zuiverheid van de verbeelding

In een van de boeken van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die slaat op de relatie tussen mensen en voorwerpen. Aan het eind ervan stelt zij dat wanneer materieel erfgoed wordt verwoest en alle afbeeldingen ervan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen daaraan niet overleven.

Ik waag het een beetje te betwijfelen en moet daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik nog iets te vroeg voor het Morandi-museum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Dacht ik.
Toen ik jaren later een cd van de orgels in Bologna kocht, instrumenten die dateren uit 1471-1475, bleek nadat ik hem in de cd-speler had gelegd, dat de herinnering in de loop der jaren was vervormd, dat zeg maar mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

Heeft Huijer daarmee dan niet het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.
Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten pas echt uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd.

Ze hebben hier in Cremona wat op bedacht, lees ik in Trouw van vandaag. Vanaf nu tot 9 februari worden daar bijzondere geluidsopnamen gemaakt van violen uit ‘de vioolhoofdstrad van de wereld’. Van violen van Stradivari, Amati en Guarneri Del Gesù. Men wil de unieke klank hiervan bewaren in een digitale databank. De klank van twee violen, een altviool en een cello. Met 32 microfoons wil men dat doen in de grootst mogelijke stilte. De straten rondom de opnamestudio zijn afgesloten voor verkeer en buurtbewoners wordt gevraagd zich zo stil mogelijk te houden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: niet op naaldhakken te lopen. In het gebouw waar de opnamen worden gemaakt, zijn de liften stilgezet en de airco uitgezet.

De klanken van de violen worden zo onsterfelijk gemaakt en voor ons nageslacht bewaard. De instrumenten worden namelijk een dagje ouder. Het is de bedoeling op den duur aan de hand van die afzonderlijke klanken in de toekomst zelfs muziek samen te kunnen stellen. Op het moment dat de instrumenten zijn uitgespeeld.

Ik hou het toch maar op de verbeelding in mijn hoofd. Misschien is die mooier gemaakt dan de werkelijkheid is (of door veroudering wordt), maar deze verbeelding gaat boven de werkelijkheid. Maar niet iedereen denkt er zo over. Dat mag.

Deels gebaseerd op een column die ik in 2017 schreef voor Literair Nederland.

Elegant en intiem

Ian Buruma krijgt de Gouden Ganzenveer 2019 voor zijn werk dat, volgens de jury, getuigt van ‘een groot verantwoordelijkheidsbesef’. Dat is helemaal waar en beter te vatten dan het gegeven dat – ook een uitgangspunt bij het toekennen van de prijs – grote verdiensten heeft voor ‘het Nederlands geschreven en gedrukte woord’.

Lees het nawoord van zijn prachtige boek Hun beloofde land er maar op na: Buruma schrijft zijn boeken uitsluitend in het Engels. Ze komen dus in Nederlandse vertaling tot ons.
Ik heb dit boek er maar weer eens bij gepakt en ik raad iedereen aan dit ook te doen.
Buruma vertelt in dit boek op basis van hun briefwisseling het verhaal van zijn Duits-joodse grootouders, Ben en Win, die Engelser werden dan Engels. ‘Zorgvuldig en mooi geschreven (…), elegant en intiem’ aldus Philip Roth op de achterflap. Ik kan het alleen maar beamen.

Hier en daar heb ik streepjes of een vraagtekentje in de kantlijn geplaatst: op twee ervan ga ik hier in. Het eerste vormt de aanleiding tot deze blog: een foto van ‘een nog heel jonge rabbi Zimet’, op een trap zittend, tokkelend op een mandoline en een lied zingend met twaalf pleegkinderen. Ik kan het mis hebben, maar het lijkt me toch eerder een luit te zijn op die foto (zie afb. rechts boven).

Dit voert me naar het tweede streepje: naar de zinsneden ‘Wins gevoelens waren wat ingewikkeld doordat ze, buiten de Duits-Joodse band met de klassieke muziek, geen religieuze of culturele traditie had, maar blijkbaar was het voor Bernard zelf ook niet altijd helemaal duidelijk waar hij zich het meest thuis voelde’.

Ik moet denken aan een hoofdstuk over weliswaar ‘De terugkeer van de blokfluit’ (in: De blokfluit en zijn muziek van Edgar Hunt, 1966). Hoewel het dus niet over de luit gaat, geeft Hunt wel een goed beeld van de Engelse en Duitse wedergeboorte van oude instrumenten als de blokfluit, maar terzijde ook de luit en de viola da gamba in de tijd die Buruma ook beschrijft: voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In Engeland was het Arnold Dolmetsch (1858-1940) die zich in die oude instrumenten verdiepte, in Duitsland onder meer Max Seiffert (1868-1948). Dat de blokfluit ook het instrument werd van de Hitlerjugend is navrant. Wat rabbi Zimet met de kinderen op de trap zong, was ongetwijfeld een volksliedje. Dat paste in dat tijdsgewricht.
De oude instrumenten werden uiteindelijk als volwaardige instrumenten beschouwd, en niet langer ‘voorlopers’ van de dwarsfluit, gitaar of cello.

Juist die verhouding tussen Engeland (patriottische volksmuziek) en Duitsland (nationalistische muziek)  zou het verhaal van Buruma aangaande muziek(instrumenten) nog een diepere laag hebben kunnen geven. Maar niet getreurd – hij is, volgens een recent interview bij Eva Jinek, alweer met een nieuw boek bezig. Ik ben, en blijf, benieuwd!

Een soort strijdkreet

Een poosje geleden sprak Radna Fabias bij VPRO Boeken met Jeroen van Kan over haar debuutbundel Habitus. Het was een gesprek dat indruk maakte en dat ik daarom heb onthouden. Het ging over theses en antitheses, licht en donker, man en vrouw. Zonder dat het tot syntheses kwam, reikte ze wel naar een zekere eenheid. Maar dat lukte niet altijd, en die imperfectie is goed.

Ongeveer in dezelfde tijd van dit televisie-interview las ik een gesprek met Björn Schmelzer, curator in residence van het Festival Oude Muziek (FOMU 18) in Utrecht (foto Jimmy Kets). Wat hij met zijn Antwerpse vocaal ensemble Graindelavoix wilde gaan doen, legde hij uit, was ‘de tegenstelling tussen het hoge en het lage, tussen het astrale en het monsterlijke van het leven zelf in een muziekuitvoering laten horen (…). Craquelure in de stemmen, imperfectie, dat doet iets met de luisteraar’, aldus Schmelzer. ‘Goede kunst is kunst die de imperfectie omhelst (…). Het is menselijkheid durven toelaten. Dat is het hoogste wat een kunstenaar kan doen. Een zanger die de grain de la voix, het “gruis van de stem” durft te laten horen: daar gaat het om.’

Ook bij Fabias. Zij opende mede het literatuurfestival Winternachten 2019 en krijgt op 6 februari a.s. de Awater Poëzieprijs 2018 uitgereikt in De Rode Hoed te Amsterdam. Naar haar werk keer ik nu eerst terug alvorens op grond hiervan en van de muziek van Graindelavoix een conclusie te formuleren.

Radna Fabias
Fabius debuteerde met de hiervoor genoemde bundel Habitus (uitg. De Arbeiderspers) die al de C. Buddingh’-prijs kreeg voor het beste debuut. In een van de vele interviews die hierna volgden (met Roelof ten Napel van Klecks in samenwerking met De Optimist), vertelde ze dat ze op een avond een keer een essay voordroeg over ‘zwarte, feministische poëzie’. Ze uitte hierin haar ‘grote dorst voor stemmen die op onbeschaamde wijze de menselijke feilbaarheid bezingen’. Ze had het in deze lezing ook over Morgan Parker, en vertelde over diens laatste bundel There are more beautiful things than Beyoncé:

In het comfortabel zijn met haar feilbaarheid ligt haar heldendom.

Nog een andere inspiratiebron passeerde in genoemd interview de revue: Danez Smith, die Fabias een paar keer hoorde voordragen tijdens Poetry International. Zij stelde ‘minder sexy zaken als vernietiging, gebrokenheid, verdriet, moedeloosheid en niet-weten’ aan de orde, wat Fabias als een verademing had ervaren.

Ze vraagt zich af of dit bij het emancipatieproces behoort, als ‘een vorm van individuele emancipatie’ in een wereld waarin ‘het er best vaak toe doet wie je bent, waar je vandaan komt en hoe je eruit ziet. Je geaardheid, je gender, je gezondheid, je sociaal-economische startpositie etc. (…) De trots waar we het over hebben is ook een reactie op een leven met die obstructies’ aldus Fabias. Een trots die ‘wellicht ook een bezwering is van aangeprate minderwaardigheid. Een verkapte poging te bewijzen dat je die plek verdient? Een overcompensatie? Een poging tot tegenspreken/ontkennen? Een soort strijdkreet? Zelfbehoud? Een soort affirmatie?’ Ze voelt zich in de wereld thuis als de middelste van de driedelige matroesjka poppetjes: ‘de reële, kwetsbare, complexe, niet gecensureerde positie’.

Grandelavoix
De weg leidt weer terug naar Graindelavoix en Björn Schmelzer. Een ensemble dat met ‘stemmen die op onbeschaamde wijze de menselijke feilbaarheid’ bezingt. Als een soort strijdkreet, om Fabias te citeren. Ze lijken afscheid lijkt te nemen van een haast gecensureerde, over-esthetische stijl van muziek maken die de CD industrie heeft gecreëerd: glad en foutloos. Terwijl we volgens Fabias feilbaarheid zouden moeten kunnen vieren. ‘Wat’, vraagt ze zich af, ‘als ik daarin menselijkheid, rijkdom, schoonheid, kracht en poëzie zie?’

Zij roept op om ons niet te laten ‘leiden door de “smaakvolle” norm. Wees waakzaam voor het enkel etaleren van eruditie en “goede smaak”.’  Ze lijkt daarbij Grandelavoix aan haar zijde te hebben. Althans in mijn oren.

Atypische Shakespeare?

Op dezelfde avond dat het Engelse Lagerhuis met 432 stemmen ‘nee’ zei tegen het Brexit-akkoord van premier Theresa May, zat ik in het Amsterdamse Pathé Tuschinski naar een voorstelling op groot filmscherm te kijken van Richard II van William Shakespeare door het National Theatre vanuit het Londense Almeida Theatre, waar Pierre Audi eens de leiding had. Geen champagne vooraf, geen A4-tje met een samenvatting van het verhaal zoals voorheen wel gebruikelijk, maar een angstaanjagend lege Grote Zaal. Of dat  met de Brexit te maken had, of eerder met bezuinigingen die ook de bioscoop treffen, laat ik hier open. Het gaat me om wat anders.

Om te beginnen hoef je niet al te diep te graven om een verband te ontdekken tussen de Brexit en het vroege koningsdrama van Shakespeare. Althans dat verbeeld ik me dan. Het Engeland van Edward III was in diens sterfjaar, 1377, gefrustreerd in zijn overwinningsoorlogen. Edward III werd opgevolgd door Richard II, een vastberaden kind nog dat uitgroeide tot vasthoudende een koning die dacht uit Naam van God te regeren. Dat eerste – vastberadenheid – heeft hij gemeen met May.
Het toneel in Almeida was een stalen doos waar niemand in of uit kon, hoe hard er ook op de wanden werd gebonsd, en waar bloed van de wanden droop, aarde en water over de grond en het hoofd van Richard II, een in zijn spel én dictie van het prachtige Engels met kop en schouders boven iedereen uitstekende Simon Russell Beale.

De personages, in de bewerking van Joe Hill-Gibbins teruggebracht tot acht, klitten dan weer in een hoek als een kluitje tezamen of stonden dan weer moederziel alleen op het toneel. Dat zegt ook heel veel! Je zou zowel  in het stuk zelf – en daarin ben ik niet origineel – als in de toneelbewerking een verbeelding kunnen zien van de Herfsttij der middeleeuwen van Johan Huizinga, maar dan niet in felle herfstkleuren, maar in het zwart van de ondergang die al is ingezet.

De tonen van de hoop die spaarzaam doordrongen, net als het spaarzame licht van de bovenkant van de doos, kwamen van de zwarte en vrouwelijke acteurs, die familiebanden benoemden, zoals ‘My father’ – waarbij de zoon dan een blanke was en de vader een zwarte. Hierin werden op een hoopvolle manier hokjes doorbroken die in Shakespeares tijds zeker, en in de onze helaas nog steeds, overeind stonden en staan.
Het valt de Britten ‘te zwaar’ schrijft Stevo Akkerman in een column vandaag in Trouw, ‘ons gezelschap [dat van de Europeanen, EvS] is een affront voor hun Engels-zijn’. En dat, memoreert hij, ‘terwijl het gewicht van afzonderlijke landen almaar kleine wordt. Dat begon met de dekolonisatie’.

Of het nu waar is of niet, ik meende dat van al die elementen in de regie van Richard II in het Almeida Theatre iets doorklonk. Daarom is het misschien een beetje jammer dat ik een dag voor de voorstelling in Pathé Tuschinski in een recensie van het boek European Literary History van Maarten de Poucq en Sophie Levie door Neerlandicus Marc van Oostendorp lees, dat beide auteurs ‘expres niet [hebben] gekozen voor Shakespeare, omdat deze achteraf wel ons beeld van de hele vroegmoderne theatercultuur is gaan domineren, maar in de tijd zelf vrij atypisch was’.

Waaruit dit atypische zou blijken, vermeldt Van Oostendorp helaas niet. Laat de Engelsen dat maar niet horen: atypisch, typisch Engels? Nog meer koren op hun molen wanneer ze over hun eigen, zo als apart beschouwde identiteit nadenken? Daar zit niemand op dit moment op te wachten.