Het vijfde seizoen; aan de vooravond van de klimaatmars

Opeens is er in het boek Het jaar van Vivaldi van Henk Vreekamp weer een figuur die je ook in Als Freyja zich laat zien tegen had kunnen komen. Ze stapt door de deur, gemaskerd als voor het Venetiaanse carnaval, en neemt plaats in de lege stoel bij de haard. Ze blijkt Vivaldi goed te hebben gekend. Ze vertelt:

‘Vivaldi heeft me ooit toevertrouwd (…), dat hij plannen had aan De Vier jaargetijden een Vijfde jaargetijde toe te voegen. Op dat idee was hij gekomen toen hij op de vierde zondag van Advent in het Missaal de beginwoorden van Psalm 19 las: “Coeli enarrant gloriam Dei: et opera manuum eius annutiat firmamentum”. De hemelen verhalen de glorie van God en het firmament kondigt de werken van zijn handen aan. De vonk in deze woorden sprong bij hem over, op slag. Verrast dronk hij de woorden van Psalm 19 in als “sonnet” voor het vijfde seizoen.’                                                                                       

Het vijfde seizoen vormt de ziel van de vier. Het verbindt ze, zet ze in beweging zodat ze niet verstarren in hun wederkeer. Het is zoiets als ‘het vijfde evangelie, het zesde zintuig, de achtste dag, de dertiende maand’. Of wellicht de dertiende apostel (Joh. Seb. Bach). In ieder geval ‘boventallig. Over de grens van het gewone heen, om juist dat gewone te bezielen’.

Het doet me, aan de vooravond van de klimaatmars in Amsterdam, denken aan een schilderij van David Hockney dat ik afgelopen week op de tentoonstelling Hockney – Van Gogh in het Van Gogh Museum in Amsterdam zag:

Een moerbeiboom links lijkt te juichen van vreugde. Hockney heeft wat met de wisseling der seizoenen in het Engelse Yorkshire. De boom lijkt te juichen voor het vijfde seizoen, in de hoop ‘op U, op ons’ zoals André F. Troost dichtte. Het tegendeel van de klagende, kreunende, schreeuwende en roepen schepping op het beroemde schilderij De schreeuw van Edvard Munch.

Troost lijkt als slot van zijn gedicht ook het vijfde seizoen te benoemen, het ‘jaargetijde dat al ons vuil in schoonheid doopt’:

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping klaagt, de
aarde huilt – akkers en weiden: straks woestijnen,
het voedsel schaars, de grond vervuild.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping kreunt, de
aarde vraagt: gun ons de tijd nog te vermijden dat
al wat leeft wordt weggevaagd.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping schreeuwt,
de aarde zucht – hoe konden wij zo bruut ontwij-
den uw werk: het land, de zee, de lucht?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping roept, de
aarde smeekt – dit is toch niet het eind der tijden
nu hebzucht wereldwijd zich wreekt?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping bidt, de
aarde hoopt op U, op ons – een jaargetijde dat al
ons vuil in schoonheid doopt.

 

Afb.: David Hockney “May Blossom on the Roman Road” 2009
Oil on 8 canvases (36 x 48″ each) 72 x 192″ overall
© David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Mijn recensie van deze tentoonstelling, die nog tot 26 mei a.s. valt te zien, verscheen op de site van 8weekly.nl: https://8weekly.nl/recensie/kunst/een-ode-aan-het-leven/

Tussen mei-september a.s. komt bij uitgeverij KokBoekencentrum een boekje van mijn hand uit over denken en werk van Hendrik Vreekamp: Mythe, mysterie, mystiek.

Symproviseren of een mens lenen?

Je leert jezelf beter kennen in de ontmoeting met anderen, in de ontmoeting met  boeken en in wat anderen daarover schrijven. De bibliotheek is daar de uitgelezen plek voor.

1.
Op zaterdag 26 januari jl. deed ik in het filiaal van mijn bibliotheek mee aan wat de kunstenaar en filosoof Erik Hagoort ‘symprovisatie’ noemt: met een klein groepje mensen hardop denken en tegelijk schrijven. We deden het in schriftjes, die (als het kunstwerk dat zo ontstond) aan de Openbare Bibliotheek Amsterdam worden geschonken. We deden het unverfroren, associatief van het ene op het andere thema springend en ze zo aaneenrijgend. Het ging diep en op een gegeven moment voor mij, introverteling, te open.
Ik merkte, dat ik me er met een grapje vanaf maakte en de pen neerlegde en verder alleen luisterde. Maar misschien zullen eventuele toeschouwers, als zo’n ‘symprovisatie’ hier of elders wordt herhaald en zij erbij aanwezig mogen zijn, dit ook als een al dan niet waardevol, in ieder geval opvallend, onderdeel van het kunstwerk beschouwen. Net als de blakend witte pagina’s in mijn schriftje. Wie zal het zeggen.

2.
Drie weken later las ik in het boek Leven in de Waagschaal van Wessel ten Boom een rake omschrijving over de mij zo geliefde Bijbelse Psalmen: ‘de rauwheid van Israëls psalmen’ (p. 18). Ja – ik houd ervan. Niet alleen van de Psalmen an sich, maar ook van rauwe kunst en literatuur in het algemeen. Van kunst die weet te schuren, te raken. En van interpretaties daarvan die er wat van het waarom oplichten en niet verzanden in wat Ten Boom (die bij leven en welzijn straks weer een cursus over literatuur voor het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie hoopt te kunnen geven) ‘estheticisme en dagdromerijen’ noemt. Soms is iets gewoon te wáár om mooi te (kunnen) zijn. Je moet zoiets bevechten, in de waagschaal durven stellen. Overdenken, van links en rechts bekijken, van onder en van boven. Dat lukt mij al ‘symproviserend’ minder, hoewel ik mezelf er wel beter door heb leren kennen (wat niet de eerste doelstelling is): een grapje maken als het me te dicht bij komt.
Misschien wél als ik een mens leen – ook zo’n mooi initiatief van sommige bibliotheken: de Mensenbieb, waar je voor een moment een ‘levend boek’ leent. Je mag alles vragen – dat mag bij het ‘symproviseren’ niet, vragen stellen –, maar je hoeft geen antwoord te geven, net zomin als je dat bij de ‘symprovisatie’ hoeft te doen. Immers: ‘muziek stelt geen vragen. Muziek geeft geen antwoorden’ (Hagoort). Misschien lukt dat me beter?

3.
Ik krijg – verrassing! – de bewerkte versie van de voordracht die Erik Hagoort hield tijdens de verdediging van zijn doctoraat in de kunst (13 oktober 2017, Antwerpen). Ik lees het slot:

‘Op het punt staan iets tegen iemand te zeggen.
Inademen, iets kunnen gaan zeggen,
maar er van af zien.
Weer uitademen, zonder te spreken.
Zeggen als een ademtocht zonder woorden,
zonder vorm, zonder vervoering,
maar wel met een richting: naar jou toe.’

Het was goed zo. Dank je wel, Erik, dank je Wessel. Dank je wel openbare bibliotheek.

Afb. links ontleend aan de website van Erik Hagoort: http://www.erikhagoort.nl/Erik_Hagoort_NL_thuispagina.html

Projecties van christelijke en witte mensen – een drieluik

Al een poosje heb ik geen drieluik meer geschreven, dus het wordt naar mijn gevoel wel weer eens tijd. Dit keer over wat er gebeurde tijdens een zondagse eredienst in mijn wijkgemeente, de laatste ochtend van een Bijbelkring over het boek Esther in dezelfde gemeente en het lezen van een prachtig artikel over Nelson Mandela in De Groene Amsterdammer. Een drieluik, omdat ze alle drie op één of andere manier met elkaar in verband staan.

1.
Eerst dan de dienst van zondag 24 februari jl. met een gastpredikant en een koor. Gelezen werd Lucas 6: 27-38 (‘De wet der liefde’). Het slot hiervan luidt aldus:

36Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. 37En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.

Het koor zong onder meer – een beetje vreemd, maar oké – John Brown’s body. De dirigent verstond het, om pal daarvoor nog even te reflecteren op de preek over bovengenoemde tekst en 1 Korinthiërs 15:35-49. Hij had het over John Brown (1800-1859, foto links), een ‘militante strijder tegen de slavernij die een vrijheidsbeweging startte over de Afro-Amerikanen, in 1859 gevangen werd genomen door de manschappen van generaal Robert E. Lee, berecht, schuldig bevonden en veroordeeld tot de galg’. Dat was terecht, vond hij, want hij had niets van het Evangelie begrepen.
Ik kon niet anders dan concluderen, dat ik dan toch echt een andere preek had gehoord, over niet oordelen (naar aanleiding van vers 37). En ik moest denken aan het mooie boek We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten, dat ik voor literairnederland.nl recenseerde. ‘Een intense en prachtige triomf van de empathische verbeelding’, aldus Antjie Krog.

2.
In de week hierna lazen we op donderdagochtend de twee laatste hoofdstukken uit het kleine Bijbelboek Esther. We laten:

5De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen. 6En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen. 7En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, 8En Poratha, en Adalia, en Aridatha, 9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, 10De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.

Voordat het gesprek weer een obligate richting in zwenkte (de wraakzuchtige joden uit het Oude tegenover de vredelievende christenen uit het Nieuwe Testament), probeerde ik de nog steeds boven de groep hangende vraag waarom de naam van God in dit Bijbelboekje niet voorkomt, te duiden. Misschien omdat hij Zijn gezicht afwendt bij zoveel kwaad? Bovendien gaat aan het Poerimfeest een vastendag vooraf. ‘Juich niet als je vijand valt’, leerde het joodse volk van de rabbijnen. Uit een lezing die Nechamah Mayer-Hirsch eens hield voor Kerk en Synagoge in Amsterdam-Buitenveldert, jaren en jaren geleden, citeer ik in dit verband het volgende: ‘Het beeld paste niet in het ontwerp zoals de kerk de Jood wilde hebben: de bange, laffe, sjlemielige Jood die het aan eigen gedrag te danken heeft dat hij door zijn omgeving zo gehaat wordt. Die rond hoort te gaan met de jodenlap, de jodenhoed en de jodenster, maar zeker niet met een wapen in zijn hand.’

3.
Iets soortgelijks lees ik in het mooie artikel, de ingekorte versie van de Nelson Mandela-lezing in februari jl., dat de schrijver en activist Sisonke Msimang schreef c.q. hield over Nelson Mandela (De Groene Amsterdammer 28 februari 2019, foto rechts): ‘Madiba is meer dan een totem. Laat Nelson Mandela geen heilige worden.’ Zij schrijft erover hoe Mandela’s nalatenschap wordt versimpeld en afgezwakt, wat ‘hem tot een pion maakt in de projecties van angstige witte mensen, met als doel ons te doen vergeten dat hij ook een vrijheidsstrijder en een intellectuele reus was’. Voorts was ‘de dreiging eerder van wit dan zwart geweld’, zoals we ook in het boek van Christine Otten kunnen lezen. ‘Het waren de witten die de militaire macht in handen hadden, het waren de witten die boos waren over het verlies van hun macht en die een geschiedenis hadden van wreed en gewelddadig optreden tegen zwarten.’  

Deze analyse geldt niet alleen voor witte mensen, maar ook voor christenen die zich een oordeel aanmeten over zwarte vrijheidsstrijders en over joden die wreed en gewelddadig optreden. In beide gevallen zijn het projecties. Van angst wellicht.

Alicja Gescinska – Thuis in muziek

Thuis in muziek : een oefening in menselijkheid / Alicja Gescinska. – Amsterdam : De Bezige Bij, 2018. – 125 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-03-13850-3

De titel van dit pleidooi voor muziek als fundament van ons bestaan geeft al de gelaagdheid van de inhoud ervan weer: de van origine Poolse filosofe, schrijfster en programmamaakster Alicja Gescinska (1981) voelt zich thuis in muziek en in het bestaan. Na de vlucht van het gezin naar België bijvoorbeeld in de muziek van de Pool Chopin (thuiskomen in zichzelf), maar bijvoorbeeld ook in het lied Der Wanderer en de gelijknamige pianofantasie van Schubert (thuiskomen in de wereld). Muziek werd van het allergrootste belang in haar leven en is dat, in het kader van persoonlijke en morele ontwikkeling, voor ieder mens tot Mensch (integer, goed mens uit één stuk). Ze vraagt het aan de Poolse componist Penderecki: ‘Maakt muziek de mens en de wereld beter?’ Zijn antwoord is: ‘Nee’, net als dat van de filosoof Kant. De filosoof Max Scheler zou de vraag bevestigend hebben beantwoord. Gescinska benadert de vraag voorts via empathie (begrip, betrokkenheid), zelfontdekking en -ontplooiing, intentioneel luisteren en gedeelde muziek en werkt zo naar een ontroerend slot toe. Essay waarin regelmatig wordt verwezen naar Vladimir Jankélévitch, maar dat toegankelijker is. Tegenhanger van Waarom Chopin de regen niet wilde horen van Marlies De Munck.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Kwetsbaar én krachtig

Echt recht van spreken heb ik nog niet, net een paar maanden pensionado-zijnde, maar ik zie al wel een beetje voor me hoe het gaat (worden). ‘Dat is een klap hè’, zei een vriendin die dat moment al eerder had beleefd.

Met drie stukken in dagblad Trouw van vandaag haal ik die ervaringen weer boven. Particuliere ervaringen, die blijkbaar herkenbaar zijn. En – belangrijker nog – ik verbind er conclusies aan. Het gebeurde allemaal op één avond. Ik rekende in een winkel een kekke blouse af; de tijd dat je je als oudere in stemmige kleuren kleedde is gelukkig allang voorbij. De verkoper vroeg zich af of ik er een tasje bij moest. ‘Nee’, antwoordde ik, ‘ik heb er een bij me’. Terwijl ik mijn pinpas veilig opborg, was hij er weer met een vraag: ‘Gaat het, mevrouw?’ Ik keek hem bevreemd aan en trok een tasje uit mijn jaszak. ‘O’, zei hij, ‘ik dacht al: waar heeft u dat tasje dan’.
Oké, Op naar een theatervoorstelling. ‘Ingang A’ zei de kaartcontroleur bij de trap. Dat had ik al gezien op mijn e-ticket, maar toch attent. Boven gekomen, liep ik naar mijn idee best doelgericht naar de bewuste ingang A. Halverwege werd ik aangesproken door een jongeman, die ook allervriendelijkst vroeg, of hij me ergens mee kon helpen. Huh?
Na een mooie voorstelling toog ik weer naar huis. In de tram stond iemand meteen op om mij te laten zitten. Dat aanvaardde ik dan weer dankbaar, zonder bevreemding.

Wat zegt dit nu? In de eerste plaats dat mensen een beeld van ouderen hebben. Ik zeg expres niet: dat jonge mensen een beeld van ouderen hebben, want ook ouderen onderling hebben er een handje van. In de kerk werd ik er na de dienst een keer door iemand voor me op aangesproken, dat ik de rollator van mijn buurvrouw wel eens even in elkaar kon zetten. En toen ik daar geen aanstalten toe maakte, omdat ik weet dat zij dit persé niet wil, begon iemand achter me al met veel omhaal, luid pratend en zeer nadrukkelijk de rollator uit te klappen.

Behalve dat dit op hetzelfde neerkomt, leert het nog iets: praat met de mensen zelf die je wilt helpen. Voor je het weet heb een blinde die aan de kant van de weg staat naar de overkant geholpen terwijl die dat helemáál niet wil. Hebben ouderen  – zoals een kabinetsplan uitspreekt, volgens één van de stukken in Trouw – écht behoefte aan levensbegeleiders (kosten: 35 miljoen euro in deze kabinetsperiode) of meer aan een artsenpraktijk die, zoals in mijn geval, je zonder probeert om te praten noteert dat jij je bij eventuele gevallen niet wil laten reanimeren? Of aan, zoals Hedy d’Ancona (81) in een terzijde bij dit artikel stelt, niet alleen aan zelfbeschikking, maar ook aan thuiszorg die genoeg tijd voor je heeft?

Als het uitgangspunt is: ouderen serieus nemen, ouderen herwaarderen, dan heb je mij aan mijn zijde: in die laatste levensfase ben je zowel kwetsbaar als krachtig. ‘Je kunt je nog steeds blijven ontplooien en actief blijven’, zegt D’Ancona terecht. Ik voeg de daad bij het woord.
Rob Schouten geeft in zijn column als 65-jarige een duidelijk statement: ‘Ik voel me sindsdien eigenlijk van alles, volwassen, middelbaar, puberaal, kinderachtig’. Ik herken dit, ook uit mijn omgeving. Juist nu heb ik opeens behoefte aan eens héél andere concertabonnementen dan tot nu toe. Een kleine opera-keuzeserie met moderne opera’s en – ook nog nooit gehad – een vocale serie. Rebels, dat kan aan het rijtje van Schouten worden toegevoegd.

Let wel: ik recenseer nog steeds. Tentoonstellingen en boeken. Ik probeer het allemaal op de voet te volgen, ook door cursussen e.d.. En daarnaast schrijf regelmatig artikelen en interviews. Als dat eerste en laatste niet meer zou gaan, dan rest het middelste: de boeken. ‘Want zoals Vestdijk al over het schrijven zei: je kunt er toch bij blijven zitten’? Aldus Schouten. Waarvan akte.

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Zwaar licht

Ik had het recente videoportret dat BubbleEyes (Patricia Werner Leanse en Yve du Bois) maakten van het recente werk van kunstenaar Neel Korteweg al drie-vier keer bekeken en verschillende A4’tjes met aantekeningen gemaakt. En weer weggegooid, want ik kreeg er op één of andere manier geen vat op. Noch op het videoportret, noch op dit specifieke werk van Korteweg, van wie ik eerder onder meer prachtige portretten van Erasmus zag.

Het videoportret is duidelijk in drie delen opgebouwd, maar het hoe en waarom bleef mij onduidelijk. Eerst leek het te gaan over demonen en engelen, daar waren mijn verschillende aantekenvelletjes het wel over eens. Maar dan? Volgens mijn eerste aantekeningen ging het middendeel (vanaf 3’46”) over vaste grond, over een vrouw met beide benen op de grond en niet langer, zoals in een eerste versie van het schilderij, op de tenen staand. Volgens mijn tweede aantekenvelletje ging het echter over zeemeerminnen. Het derde gedeelte (vanaf 4’49”) gaat over de idealist en dromer Korteweg, met de donkere rand die de romantiek eigen is; ‘verraderlijke romantiek’ noemt ze het zelf. Of ging het toch primair over Icarus, en de zoekende vader?

Wat mij in ieder geval bij elke keer kijken duidelijk was, was dat de sleutel in het tweede, middengedeelte van het videoportret moest liggen. Qua geluid en beeld vormt het een duidelijke breuk met wat vooraf gaat en erna komt. Het geluid is anders, en opeens komt de verteller direct in beeld.
Het kwartje viel, toen ik  in NRC Handelsblad (1 februari 2019) een interview van Obe Alkema las met de classicus en dichter Piet Gerbrandy, naar aanleiding van diens nieuwe essaybundel Grondwater (alleen de titel al!). Ik kon alle snippers als een puzzel aan elkaar leggen.

Tamelijk aan het begin heeft Gerbrandy het over de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. ‘De spanning tussen eenzaamheid en nabijheid, ontheemdheid en geborgenheid splijt zijn werk’. Dáár hadden we het. Maar, vervolgt Gerbrandy, ‘vormt ook de kracht van zijn poëzie.’
Je zou de woorden eenzaamheid en nabijheid, ontheemdheid en geborgenheid zomaar kunnen vertalen met de sleutelwoorden voor het recente werk van Korteweg, die de ‘aftiteling’ van het videoportret vormen: drijven – zinken – vliegen – vallen – zweven, ‘een bijna rituele herhaling van wat zich vanaf de aardse oertijd afspeelt in de ontwikkeling van het leven’, aldus het persbericht bij de hieronder nader omschreven tentoonstelling Zwaar licht. Zo wordt het zoeken ‘naar de existentiële aspecten van literatuur’ die Gerbrandy bedrijft, beloond in het zoeken naar dezelfde aspecten in het werk van Neel Korteweg. Hij, en ik, ‘nodig anderen uit in mijn lezing mee te gaan, terwijl ze ook aangezet kunnen worden om andere beweringen te doen’.

Dat laatste kan tijdens de expositie Zwaar licht in Wouter de Bruycker Fine Arts & Gallery Antwerpen, van 11 april tot en met 26 mei a.s. De afbeelding hierboven, van De Engelenval (2018) is aan de aankondiging van deze tentoonstelling ontleend.

https://vimeo.com/search?q=Neel%20Korteweg

http://www.neelkorteweg.nl/

www.wdb-finearts.be

Het Woord verbeeld

Ter gelegenheid van 2018 Jaar van het Cultureel Erfgoed kwam het Nederlands Bijbelgenootschap met een handzaam gidsje onder de titel Het Woord verbeeld. Ik kwam het nu pas op het spoor, en pas kort daarna las ik een eerste bespreking ervan in Kerk in Mokum.

De kop boven het voorwoord van de directeur van het Nederlands Bijbelgenootschap luidt: ‘De Bijbel als inspiratiebron’. Preciezer gesteld: Bijbelverhalen als inspiratiebron – inclusief de apocriefe. Want laten we wel zijn, en daar is op zich als eerste aanzet niets mis mee, het gaat om twaalf kunstwerken, van ca. 1470 tot en met 1991, waar primair draait om Bijbelverhalen. Allemaal te zien (en niet altijd even te makkelijk te vinden) in het Amsterdamse Rijksmuseum – waarbij aangetekend, dat die van Rembrandt tot 10 juni a.s. onderdeel uitmaken van de expositie Alle Rembrandts en dus niet in bijvoorbeeld zaal 2.8 hangen.

De teksten in het gidsje, allemaal afgedrukt na een kleurenfoto van het kunstwerk dat het uitgangspunt ervoor vormt, zijn onderverdeeld in drie blokjes: informatie van het Rijksmuseum, een link naar het Bijbelgedeelte en een vraag voor de beschouwer. De teksten over het Bijbelgedeelte zijn van de hand van Peter Siebe, persvoorlichter en eindredacteur van de Nieuwe Bijbelvertaling, die ook tot uitgangspunt is genomen.

Het is een spannende onderverdeling, omdat de teksten van het Rijksmuseum vooral gericht zijn op formele kenmerken van de kunstwerken, met omschrijvingen als ‘Door (…). de verf met een spatel te bewerken, bracht hij [Rembrandt, EvS] een plastisch, glanzend reliëf aan’ (over: Het joodse bruidje, zie afb. rechts). Of: ‘Het effect is rijk, maar de kwaliteit van uitvoering is niet bijzonder hoog’ (over een Antwerps kabinet, zaal 2.23).

In de tekstblokjes van Siebe wordt veelal een verbinding gelegd tussen Oude- en Nieuwe Testament, en dat is mooi. Bijvoorbeeld – in het geval van bovengenoemd kabinet – tussen Numeri 21:9 en Johannes 3:14. Een enkele keer echter wordt er een sprong gemaakt die niet in de tekst staat, zoals bij de Beuningkamer (zaal 1.6), waarin het gaat over Handelingen 8:26-39. Volgens de tekst(schrijver) zou Filippus de kamerling, dat wil zeggen een Ethiopiër, wijs maken dat ‘de passage uit Jesaja’ die hij zat te lezen’ over Jezus ging, maar dát staat er niet: ‘Daarop begon Filippus met hem [de Ethiopiër, EvS] te spreken over het evangelie van Jezus, waarbij hij deze schrifttekst tot uitgangspunt nam’ (vers 35) – je zou zeggen: een Talmoedische wijze van tekstuitleg van een passage uit Tenach, zoals je ze zoveel tegenkomt in het Nieuwe Testament.

De vragen zijn van het soort zoals je ze ook wel in Bijbelse dagkalenders of wat behoudende tijdschriften over de Bijbel tegenkomt. Van bijvoorbeeld ‘Heeft u weleens een bovennatuurlijke gebeurtenis meegemaakt?’ (bij De ontmoeting van Joachim en Anna, zie afb. links), ‘Voor wie bent u deze week barmhartig geweest?’ (bij De zeven werken van barmhartigheid) tot ‘Wat vindt u van kunst in de kerk?’ (bij Dirck van Delens Beeldenstorm in een kerk) en ‘Heeft u een voorbeeld in huis dat een Bijbelverhaal uitbeeldt?’ (bij het Antwerps kabinet).

Het is het soort uitgaven dat roept om een vervolg. Daarbij valt dan niet alleen te denken aan meer metaforische in plaats van letterlijke verbeeldingen van het Woord of aan andere musea. In het eerste geval denk ik dan bijvoorbeeld aal het Stilleven met boeken van Jan Lievens (ca. 1627-’28) waarop je niet alleen boeken (waaronder de Bijbel?) ziet, maar dat ook een wijnkan en een homp brood (Avondmaalsattributen). In het tweede geval zou een boekje als Een soort bijbel. Vincent van Gogh als evangelist van Anton Wessels de aanleiding kunnen zijn voor een gidsje voor het Van Goghmuseum.

Overigens: Peter Idenburg mag in zijn recensie in Kerk in Mokum dan wel opmerken dat de ‘brochure gratis beschikbaar is bij het Nederlands Bijbelgenootschap, [maar] helaas niet bij de balie van het Rijksmuseum’ – het museum heeft in de winkel wel een fraaie reeks boekjes met verdiepende teksten over onder meer Het Joodse bruidje en De zeven werken van barmhartigheid. In het eerste staan interessante gegevens over modernere interpretaties over het afgebeelde tafereel, dat in het gidsje van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt beperkt tot de gangbare: Isaak en Rebekka. Waarvan akte.

www.bijbelgenootschap.nl/bijbelroute

https://www.protestantsamsterdam.nl/loop-de-bijbelroute-langs-twaalf-meesterwerken-in-het-rijksmuseum/

https://www.rijksmuseumshop.nl/nl/boeken-en-dvd-s/rijksmuseum-reeks

 

Februari 1979 in Leeuwarden

Mijn ouders dachten dat ik weer eens schielijk overdreef, toen ik zei in Leeuwarden (waar ik toen woonde en werkte) ingesneeuwd te zijn en de deur niet uit te kunnen. Ze hadden er nog niets van gehoord. En dat kan kloppen, want het Journaal besteedde er niet of nauwelijks aandacht aan. Ik deed dat wel eens meer, overdrijven, vonden ze. Bijvoorbeeld toen ik zei dat mijn huis heen-en-weer ging tijdens een hevige storm. Op tien hoog voelde ik dat en zag het aan de lamp boven de eettafel.  Ik had het van niemand vreemd; mijn peettante had er ook een handje van. Zo zag ze eens olifanten in de straat. Totdat mijn ouders een keer zelf zo’n storm meemaakten en de speling in de galerijflat (gelukkig maar!) voelden. Tot ze hoorden dat die circusolifanten op weg waren geweest naar hun standplaats. Er was zelfs een foto van. Het was allemaal echt gebeurd c.q. menens geweest. Een foto van het circus, gemaakt door een collega van mijn vader van het – toen nog- Algemeen Handelsblad en een Sneeuweditie van de Leeuwarder Courant bewijzen het. Ook nu nog. Ik heb ze nog steeds, die foto en die Sneeuweditie.

Het waren een paar aaneengesloten dagen, half februari 1979. Op de eerste dag ging het nog wel, met moeite weliswaar. Ik moest naar de tandarts en de bus reed door de ijzel niet over de Voorstreek, uit angst in het water te glijden. Ik was ruim op tijd weggegaan, maar kwam toch veel te laat. De tandarts, die blijkbaar om de hoek woonde en/of nog niets in de gaten had, vroeg droog waarom ik te laat was. Ik was wat bang voor de grote man met lange baard en halflang haar, maar vroeg even droog of hij de lolligste thuis was. Dat was een keerpunt; opeens toonde hij niet alleen interesse in mijn gebit, maar vroeg ook wat ik eigenlijk van mijn vak was. Daarna was ik niet bang meer en hij vriendelijk. Het kan verkeren.

Maar de omstandigheden werden steeds erger. De sneeuw bleef maar vallen, de noordoostenwind nam stormkracht aan. Er was geen brood meer te krijgen. De storm zorgde ervoor dat de sneeuw bij mijn voordeur zó hoog was opgewaaid, dat ik de deur niet meer uit kon. En dus ook niet naar mijn werk. Openbaar vervoer reed er niet, auto’s waren op de straatweg blijven steken. Zelfs op mijn werk geloofden ze me op dat moment niet helemaal (mijn ouders stonden niet alleen), maar aangezien het voor meer mensen uit de buitengewesten van Leeuwarden gold, hoefden we later toch geen vrije dag op te nemen.

De vrouw van mijn hoboleraar moest bevallen, en ze werd met een helikopter van de luchtmachtbasis, even verderop, van huis naar het ziekenhuis vervoerd. Als ik me goed herinner waren er zelfs voedseldroppingen; ik zou er de Sneeuweditie nog eens op na moeten slaan. Want misschien overdrijf ik dat wél.

The Wave en Occupied – twee Noorse film(serie)s

Dit (boven rechts) was zo’n beetje het openingsshot van de Noorse film The Wave (2015) van Roar Uthaug die afgelopen woensdag op RTL7 viel te zien: enkele cruiseschepen die voor anker liggen in het Geirangerfjord in Noorwegen. Ze kunnen in dit kleine fjord niet aanmeren, zodat de ontscheping met tenderboten gebeurt. Afgelopen zomer heb ik het meegemaakt, zodat het shot een feest der herkenning was. In de wetenschap dat een cruiseschip zware en goedkope stookolie gebruikt, dat wel weer.

Een feest ja, want hoe Corina Schwingruber cruisen neerzet in haar documentaire All inclusive die enkele dagen ervoor door de VPRO werd uitgezonden, als een decadent ‘varend vakantiefort met luxe interieurs en non-stop entertainment’ herkende ik niet. Met terugwerkende kracht werd dit kwartiertje als een portret van de Titanic.

Want wat gebeurde er in The Wave? Een bergwand boven het Geriangerfjord stort in en veroorzaakt een tsunami van tachtig meter hoogte. Het draait om de familie van een geoloog, zijn vrouw die in een hotel werkt (hetzelfde hotel waar ik afgelopen zomer voor op een hop off hop on-bus stond te wachten), zijn scatende en met zijn mobieljte bezig zijnde zoon en een dochtertje dat aan huis verknocht is. Zij proberen te overleven. De vrouw (Ane Dahl Torp)  laat een bus voor haar neus vertrekken, omdat zoonlief zoek is. Hij blijkt in de keldergewelven te zijn gaan scaten en ze raken er, samen met een andere hotelgast, ingesloten. De man (Kristoffer Joner) is met hun dochtertje per auto wel de bergen in kunnen vluchten, maar keert terug op zoek naar zijn vrouw en zoon. De afloop verraad ik niet, want daar gaat het mij hier niet primair om.

Op de aftiteling van de film stond te lezen dat de bergwand jaarlijks zestien centimeter méér aan speling laat zien. Een schrikwekkend idee. Of het met de klimaatverandering te maken heeft, werd niet duidelijk gemaakt, maar die kloofvorming boorde voor  mij (excusez le mot) nog een diepere laag in de film aan, die staat voor alle mogelijke kloven die de wereld ontwrichten en die – zal ik straks aantonen – kenmerkend is voor Noorse films.

Eigenlijk zijn ze wel bekend, die kloven: tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen Noord en Zuid, tussen Oost en West. Ze lijken – schijnt de film te zeggen – niet of nauwelijks te dichten. Nee, het wordt alleen maar erger. Tenzij we het tij (excusez le mot) kunnen keren. Tenzij de politiek zich niet verschuilt onder falsificaties en luistert naar wetenschappers die het kunnen weten of naar Urgenda en de rechterlijke macht die ze op de vingers tikt. Niet naar de rijken en het bedrijfsleven, maar naar de jongeren zonder stemrecht maar wél met een stem van jewelste, daar op het Haagse Malieveld.

De film is niet zo absurd als het leek, bleek wel uit de aftiteling. Net zoals het eerste seizoen van de Noorse serie Occupied naar een idee van John Nesbø niet zo absurd is: Rusland houdt met steun van de EU Noorwegen bezet. Ik heb ze gezien, de boten die de grens bewaken. En ze boezemden angst in. Wat speelde er in de film? Noorwegen besluit uit milieuoverwegingen te stoppen met productie en uitvoer van olie en gas. De EU is ervan afhankelijk, vandaar de steun, terwijl ze Noorwegen zouden moeten beschermen.

Het lijkt wel of schrijvers en filmers (en spijbelende kinderen op het Haagse Malieveld) beter door hebben hoe laat het is, dan de neoliberale politiek. Mogen onze ogen ook nog verder opengaan dan ze misschien inmiddels al een beetje zijn gegaan!