‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’

Wat van je leven maken

Verbogt_Kleur van gelukTijdens een braderie doet mijn bibliotheekfiliaal zowat het hele oeuvre van schrijver Thomas Verbogt van de hand, maar op de tafel met nieuwe aanwinsten binnen ligt zowaar Verbogts laatste roman: Kleur van geluk.

Een boek over twee vrienden en nog veel meer. De één houdt van Kafka, de ander van Nabokov. ‘De vriendschap bleef zo jong als wij toen waren’, zegt de alwetende ik-verteller die het nog steeds fijn vindt als zijn bijna 90-jarige moeder ‘jongen’ tegen hem zegt. De tijd is op z’n best als hij stil blijft staan. Maar dat doet hij niet.

De hoofdpersoon, Daniël Timmer, vraagt zich af hoe je daarmee om moet gaan. Neem je gaandeweg afscheid, geef je herinneringen door met de dingen die je aan je kinderen schenkt, vertel je verhalen of zwijg je juist om ze bij je te houden?

Hij gaat er niet goed voor zitten, de hoofdpersoon. Zoals de meesten van ons dat niet doen. Hij is wel met zijn gedachten ergens anders, maar niet bij wat er misschien werkelijk toe doet. Hoewel het de vraag is of je afscheid nemen wel kunt oefenen. Net als het antwoord op de kwestie die een medeleerlinge aanroert: ‘Wat ga je van je leven máken?’
Het was de vader van Daniël die het leven maakte, hij niet. Hij maakte het mee, en bedacht zijn leven als in een andere wereld, in een droom. Hij dacht teveel, volgens zijn omgeving. En sloeg daarom, volgens zichzelf, te weinig in zijn geheugen op, en leefde over of om de dingen heen.

Misschien omdat hij levensbang is. ‘Ik vind levensbang een beter woord dan doodsbang’. Iets dat Verbogt op een poëtische, melancholieke manier invoelbaar weet te maken. Het begrip groeit met het verhaal mee, net als de karakters, die raak zijn neergezet.

Dóór de affaire met Carla, de moeder van een medeleerlinge op de middelbare school heen, halverwege het boek. Een korte periode waarin Daniël niet alleen meer denkt, maar ook beelden gaat oproepen, beelden die hij de kleur van gelukt geeft. Van vogels, witte vogels bijvoorbeeld. Terwijl hij ondertussen nog steeds hoopt dat de tijd stil blijft staan. Dat doet hij tot op zekere hoogte ook: zowel in het hoofd van zijn moeder als dat van Carla is het vaag geworden. ‘Er hangt veel mist in de tijd.’

Uiteraard is dat, zoals zoveel in dit boek, symbolisch. En niet alleen in dit boek, het is kenmerkend voor de stijl van Verbogt. Daarom lees ik zijn werk denk ik ook zo graag. De symboliek geeft diepte aan een verder haast lichtvoetige manier van schrijven over zaken die ertoe doen.
Dat wil zeggen: over gebeurtenissen die ertoe doen: ‘de eenmalige gebeurtenissen.’ Daar is Daniël, inmiddels bijna 60 jaar, wel achter gekomen.

De moraal van het verhaal wordt eigenlijk schitterend verwoord door de Russische componiste Marina Poleukhina in het programmaoverzicht van de Gaudeamus Muziekweek 2014. Niet dat zij Verbogt gelezen zal hebben, maar het valt me zomaar toe: ‘De veelheid van dingen rondom ons, maakt je soms verschrikkelijk eenzaam. Dan raak je het zicht kwijt op wat nou belangrijk voor je is. Maar dát gevoel, het gevoel alle grond onder je voeten te verliezen, wekt bij mij juist de neiging er tot aan de rand van het ravijn in mee te gaan. En dan blijkt telkens weer dat je het toch niet kunt!’

Om zulke gevoelens gaat het. En om een schrijver die ze onder woorden weet te brengen. Dat een bibliotheekfiliaal zowat zijn hele oeuvre verkoopt, heeft dan ook meer met decentraal afschrijvingsbeleid te maken. En dat de centrale weer een nieuwe Verbogt koopt, is een geluk bij een ongeluk.

Thomas Verbogt: Kleur van geluk. Roman (Uitgeverij De Kring), 224 pagina’s, € 12.50