De zuiverheid van de verbeelding

In een van de boeken van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die slaat op de relatie tussen mensen en voorwerpen. Aan het eind ervan stelt zij dat wanneer materieel erfgoed wordt verwoest en alle afbeeldingen ervan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen daaraan niet overleven.

Ik waag het een beetje te betwijfelen en moet daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik nog iets te vroeg voor het Morandi-museum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Dacht ik.
Toen ik jaren later een cd van de orgels in Bologna kocht, instrumenten die dateren uit 1471-1475, bleek nadat ik hem in de cd-speler had gelegd, dat de herinnering in de loop der jaren was vervormd, dat zeg maar mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

Heeft Huijer daarmee dan niet het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.
Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten pas echt uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd.

Ze hebben hier in Cremona wat op bedacht, lees ik in Trouw van vandaag. Vanaf nu tot 9 februari worden daar bijzondere geluidsopnamen gemaakt van violen uit ‘de vioolhoofdstrad van de wereld’. Van violen van Stradivari, Amati en Guarneri Del Gesù. Men wil de unieke klank hiervan bewaren in een digitale databank. De klank van twee violen, een altviool en een cello. Met 32 microfoons wil men dat doen in de grootst mogelijke stilte. De straten rondom de opnamestudio zijn afgesloten voor verkeer en buurtbewoners wordt gevraagd zich zo stil mogelijk te houden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: niet op naaldhakken te lopen. In het gebouw waar de opnamen worden gemaakt, zijn de liften stilgezet en de airco uitgezet.

De klanken van de violen worden zo onsterfelijk gemaakt en voor ons nageslacht bewaard. De instrumenten worden namelijk een dagje ouder. Het is de bedoeling op den duur aan de hand van die afzonderlijke klanken in de toekomst zelfs muziek samen te kunnen stellen. Op het moment dat de instrumenten zijn uitgespeeld.

Ik hou het toch maar op de verbeelding in mijn hoofd. Misschien is die mooier gemaakt dan de werkelijkheid is (of door veroudering wordt), maar deze verbeelding gaat boven de werkelijkheid. Maar niet iedereen denkt er zo over. Dat mag.

Deels gebaseerd op een column die ik in 2017 schreef voor Literair Nederland.

Orgeltocht Noord-Holland door Alkmaar

Gisteren was alweer de laatste Orgeltocht Noord-Holland van dit jaar. Deze voerde de orgelliefhebbers door Alkmaar, van de St. Laurentiuskerk via de Kapelkerk naar de Grote Kerk. De organist was dit keer Aart Bergwerff die over elk orgel iets vertelde, de registers liet horen en enkele voor de instrumenten karakteristieke werken speelde.

Het begon in de St. Laurentiuskerk, waar in 1950 de fa. B. Pels & Zn. een orgel bouwde op de zogenaamde ‘koorzolder’ (zie foto bovenaan deze blog), waarbij het roosvenster zichtbaar bleef. In 2016 werd het instrument gerestaureerd door de firma Adema.
Aart Bergwerff vertelde over de Werderopbouwperiode (na de Tweede Wereldoorlog) die grote invloed heeft gehad op met name de orgelbouw voor protestantse kerken; ik schreef daarover in 2008 een onderzoeksvoorstel voor de Open Universiteit Nederland, waaruit ik onderstaand twee paragrafen (‘Modernisering’ en ‘Historiografie’) overneem. Bergwerff vulde dit in deze kerk aan door te vertellen dat in de orgelbouw uit deze periode voor rooms-katholieke kerken elementen van de Wederopbouworgels, zoals hieronder beschreven, samengaan met elementen uit de orgelbouw van voor de Tweede Wereldoorlog.
Kenmerkend voor het orgel in Alkmaar is, dat het geen kas heeft maar in open opstelling staat, dat het hoge stemmen heeft én romantische registers zoals een Viola di gamba alsmede een zwelkast. In tegenstelling tot een orgel als in de Nicolaïkerk (zie foto voor de twee paragrafen hieronder), dat een mechanisch, neo-barokinstrument is met een heldere klank, zonder strijkende registers, is het orgel in Alkmaar elektro-pneumatisch.

Modernisering
Als iets een duidelijk licht werpt op de vele tegenstrijdigheden die inherent zijn aan het begrip ‘modernisering’, dan is het wel de zogenaamde Neue Orgelbewegung. Deze is kenmerkend voor de orgelbouw in met name protestantse kerken in Nederland gedurende de periode 1957-1973.

De toevoeging ‘Neue’ wijst erop dat vóór de Tweede Wereldoorlog al een aanzet in deze richting is gegeven. Deze in Duitsland ontstane opvatting staat bekend als ‘Orgelbewegung’ zonder meer. In die zin is er – net als bijvoorbeeld bij de uitbreidingsplannen van Amsterdam, die in aanzet al uit 1935 dateren maar grotendeels pas na de Tweede Wereldoorlog ten uitvoer werden gebracht – sprake van een zekere continuïteit. Door het werken met ijkjaren, zoals in de serie Nederlandse cultuur in Europese context wordt gedaan, komt dit echter niet tot uiting. De continuïteit van de Orgelbewegung/Neue Orgelbewegung valt te vergelijken met in de beeldende kunst de Leipziger Schule in de DDR en de Neue Leipziger Schule van na de Wende. Hierbij was één kunstenaar, Neo Rauch (1960) de verbindende schakel, zoals D.A. Flentrop (1910-2003) in de Nederlandse orgelbouw.

Flentrop hield al in de jaren dertig van de vorige eeuw een pleidooi voor ambachtelijk gebouwde orgels met technisch moderner tractuur (de zogenaamde mechanische sleeplade) in plaats van de tot dan toe gebruikelijke pneumatische windvoorziening (de zogenaamde kegellade). Na de Tweede Wereldoorlog nam Flentrop wederom het voortouw tijdens een op 2-3 januari 1953 in Amsterdam gehouden congres van de Nederlandse Organisten Vereniging.

Het moderniseringsconcept dat kenmerkend is voor de Neue Orgelbewegung behelst niet alleen een voortgaan op de ingeslagen weg van technische modernisering, maar ook van een moderner uiterlijk van de orgels onder invloed van het Scandinavische design. Qua klankideaal is eerder sprake van een retrospectief uitgangspunt; hier werd gekeken naar de barokorgels in met name Noord-Duitsland (17e en 18e eeuw).

Een andere tweeslag die kenmerkend is voor de modernisering van de kerkorgels, is de toenemende rol als autonoom, seculier concertinstrument tegenover de traditionele, instrumentele waarde als kerkinstrument.

Tenslotte kan worden gewezen op schaalvergroting als kenmerk van modernisering; het uitgangspunt van de Neue Orgelbewegung was weliswaar ambachtelijkheid, maar door de Watersnoodramp was de vraag naar nieuwe kerkorgels in met name Zeeland zó groot, dat de firma Van Vulpen overging op de bouw van serieorgels.

Het eerste kerkorgel dat deze uitgangspunten (qua techniek, uiterlijk en klank) in volle omvang (ver)toonde, was het door de Deense orgelbouwers Marcussen in 1956 gebouwde en in 1957 door kerk- en concertorganist Lambert Erné in gebruik genomen orgel in de Nicolaïkerk in Utrecht. Dit instrument is bijna twintig jaar toonaangevend geweest voor de orgelbouw in Nederland.

In die zin kan dan ook worden gesproken van de lange jaren vijftig; het laatste orgel dat nog min of meer conform de ideeën van de Neue Orgelbewegung is gemaakt, is het (wederom) door Marcussen gebouwde hoofdorgel in de Grote of Sint Laurenskerk in Rotterdam (1973).

Historiografie
In 1964 verscheen de eerste druk van wat later als een standaardwerk over de Orgelbewegung en de Neue Orgelbewegung zou worden beschouwd: Organum Novum van P.H. Kriek en Herm. S.J. Zandt. De toon van dit boek is tekenend voor de zendingsdrang én eenzijdigheid die de voorvechters van deze beweging eigen was en die ook uit de discussies in het tijdschrift Het Orgel uit deze tijd spreekt. De nadruk in het genoemde boek valt vooral op de technische kant van het verhaal.

Een stap verder gaat Frans Brouwer die in zijn boek Orgelbewegung & Orgelgegenbewegung (1981) op parallellen met de Nieuwe Zakelijkheid en De Stijl wijst.

Pas in het boek Orgels van de Wederopbouw (2006) wordt de cirkel nog ruimer getrokken. Architect Wim S. Ros gaat hierin in op de invloed van de Deense meubelkunst en Stephen Taylor, de huidige organist van de Nicolaïkerk in Utrecht, beschrijft waar het toch allemaal om draait: de muziek die tot klinken wordt gebracht.

Vanuit de optiek van Schuyt en Taverne (Nederlandse cultuur in Europese context) kunnen de cirkels echter nóg ruimer worden getrokken. Het orgel in de Nicolaïkerk in Utrecht kan bijvoorbeeld worden beschouwd als een exponent van de verzuiling en dat in de Sint Laurenskerk in Rotterdam als representant van de oecumene.

Daar is niet veel fantasie voor nodig. Immers: het uitgangspunt bij de bouw van het orgel in Utrecht was het barokorgel van de Lutheranen in Duitsland. Het instrument is in principe niet geschikt voor zuidelijke, bijvoorbeeld Franse orgelmuziek van rooms-katholieke huize uit met name de 19e eeuw.

Het uitgangspunt bij de bouw van het orgel in Rotterdam is er één die dit wél mogelijk moet maken. In die zin is dit instrument niet alleen een sluitstuk van de Neue Orgelbewegung, maar ook het startpunt van orgels waarop niet alleen Duitse barokmuziek maar ook Frans-romantische muziek naar tevredenheid kan worden uitgevoerd.