Steven Nadler en Spinoza (II)

Opvallend genoeg begon Steven Nadler zijn serie colleges over Spinoza’s Ethica aan de Universiteit van Amsterdam, met een uitvoerige bespreking van de cherem (banvloek) die de joodse gemeente over de filosoof uitsprak. Op die manier leek het een statement dat ergens toe moest leiden. De ontknoping is nog niet daar, want het laatste college is pas aanstaande donderdagavond. Toch begint iets ervan me al duidelijk te worden, mede na lezing van het hoofdstuk ‘Verbeelding’ in het boek Ik bid dus ik ben van de theoloog Bert Hoedemaker (uitg. Skandalon, 2018), dat ik onlangs cadeau kreeg.

Cherem
Maar eerst, als context, nog even de achtergronden van de cherem, zoals Nadler die ook weergeeft in zijn boek over Spinoza (uitg. Olympus, 2001).
Nadler geeft een economische interpretatie, uitgaande van het feit dat Baruch zich wilde vrijwaren van de aansprakelijkheid voor de schulden van zijn overleden vader Michael (p. 155). Vervolgens geeft hij een opvatting weer, waarbij de oorzaak van de banvloek ligt in het gegeven dat Spinoza de Bijbel niet op joods-theologische gronden interpreteerde, maar vanuit de filosofie (p. 168). Tenslotte wijst hij op een politiek aspect, door te stellen dat de parnassiem (het bestuurscollege van de joodse gemeente) wilde laten merken dat ze de zaak onder controle hadden (p. 193).
Door de banvloek werd Spinoza ‘afgesneden van deelname aan de riten van de gemeenschap’ (p. 160). Aan het slot van dit hoofdstuk concludeert Nadler, dat Spinoza van dit alles geen spijt had en met vreugde de weg insloeg die voor hem open lag (p. 198). Op een aspect van die weg, de verschillende soorten van kennis die de filosoof onderscheidde, ga ik nu eerst kort in.

Kennissoorten
Spinoza onderscheidt in zijn hoofdwerk, de Ethica, drie soorten kennis:
1. Imaginatio (verbeelding)
2. Ratio (rede)
3. Scientia intuitiva (intuïtie).
Dat wil niet zeggen, dat het bij het steeds een trede hoger gaan op de ladder, je elk vorig niveau meteen verlaat of verliest, maar wél dat je steeds dichterbij de adequate kennis komt.
De verbeelding – volgens sommigen inbeelding – levert beperkte, inadequate kennis op. De rede onderkent wetmatigheden en de intuïtie tenslotte doorschouwt. Het is de bedoeling, de verbeelding uiteindelijk terug te dringen. Vanuit Spinoza’s ervaring in de twee jaar voor en door zijn ban, snap ik, mede door Hoedemakers boek gelezen te hebben, waarom die ban zo belangrijk is geweest. En dus ook waarom Nadler er zoveel nadruk op legde.

Hoedemaker
Hoedemaker stelt, gelijk Spinoza – die hij overigens niet noemt –, dat de verbeelding aan de rede vooraf gaat. Met Spinoza is hij het eens wat betreft het feit dat er geen kennis bestaat zonder verbeelding. Het is geen fase die je achter je kan laten. In tegenstelling tot Spinoza, ziet Hoedemaker in de ratio echter niet iets dat méér ruimte in moet nemen, wel iets om de verbeelding, die hij een belangrijke plaats gunt, in zijn uitwassen mee te temmen.
Onder religieuze verbeelding verstaat Hoedemaker ‘voorstellingen, symbolen, rituelen, praktijken en verhalen (…) [waarin] vaak sprake is van leven voor de geboorte en na de dood’ (p. 26). En waarmee, als het te ver gaat, je moet oppassen, want dan kan het ontaarden in ‘een dichtgetimmerd verbeeldingssysteem – een soort fundamentalistische afwijzing van de wereld, een zich vastklampen aan het eigene’ (p. 38).
En dat is wat Spinoza nu allemaal net níet wil. Gedurende die twee jaar die Nadler aanhoudt, voltrok zich volgens hem een proces waarin Spinoza onder meer een afkeer ontwikkelde voor rituelen, het leven na de dood ontkende en steeds verder afdreef van het joodse geloof.

De cherem bevestigde die breuk én maakte voor Spinoza de weg ook formeel vrij om de weg te nemen die hij wilde volgen. Zoveel is me duidelijk, c.q. in de context van de drie soorten kennis, duidelijker geworden. In die zin kun je de cherem inderdaad als een statement beschouwen, gelijk Nadler deed.

Steven Nadler en Spinoza (I)

Via de Illustere School, die open colleges aan de Universiteit van Amsterdam aanbiedt, volgen een handjevol mensen twee weken lang naast zo’n ruim dertig studenten en – als aparte ‘categorie’ – emeritus hoogleraar Piet Steenbakkers, die de leerstoel Spinozastudies aan de Erasmus Universiteit bekleedde, avondcolleges over de Ethica van Spinoza door niemand minder dan prof. Steven Nadler, auteur van verschillende boeken over deze en andere filosofen, maar ook over Rembrandt en – recent verschenen – rabbijn Menasseh ben Israël.

Na de eerste week kregen de studenten de opdracht om één van de stellingen uit de Ethica te kiezen en er een stukje van driehonderd woorden over te schrijven. Voor vanavond 11.59 uur. Helemaal op eigen kracht, zonder gebruikmaking van secundaire bronnen, zonder omhaal van woorden hoezeer hun opa of oma al van Spinoza hield. Als ik op de intelligente vragen die ze tijdens de colleges stellen af mag gaan, worden dit vast zeer lezenswaardige stukjes!

Wij als – meest – oudere jongeren die aanschoven, hoeven die driehonderd woorden niet op papier te zetten, maar aangezien ik de grijze cellen graag beweeglijk wil houden, heb ik me er ook aan gewaagd. Met dit verschil, dat ik me niet helemaal aan de opdracht heb gehouden, het is tenslotte een blog.
Ik koos voor de derde definitie (mag dat ook?), in de vertaling van Nico van Suchtelen:

Onder ‘substantie’ versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen datgene, waarvan het begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.

‘Het ligt misschien voor de hand om bij een definitie over de woorden “versta ik” heen te lezen, maar dat zou in dit geval jammer zijn, omdat er iets wezenlijks in wordt verwoord dat, pars pro toto, veel zegt over wat we in de rest van de Ethica tegenkomt – “ontvouwd wordt”, om met Nadler te spreken. De omschrijving betekent niet alleen: lezer, ik neem je bij de hand, volg mij in mijn argumentatie, maar óók: lezer, ik ga net zoals ik in de Talmoed leerde, in gesprek met andere, in dit verband vooral filosofen. Zoals Jezus van Nazareth een soortgelijke Talmoedische omschrijving bezigde in de Bergrede: ‘Maar ik zeg u’.
Spinoza gaat in deze definitie overigens in gesprek met Descartes, die in tegenstelling tot hemzelf twee substanties onderscheidt: God en mens, waar bij Spinoza de mens een mode is van het subject God of Natuur (Deus sive Natura), door Nadler in zijn colleges een paar keer aangevuld met ‘Power’ (potestas, macht, zie de propositie bij stelling 36: ‘Al wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle dingen’). Waarbij kan worden aangetekend dat macht zowel behoort tot de substantie als tot de expressie ervan, de attributen.
De substantie is eeuwig en oneindig. Dit impliceert dat de Natuur/natuur, Schepper/schepping eeuwig zijn, dat wil zeggen dat de schepping nog niet is voltooid; een joods idee. Immers: de mens kreeg de opdracht (mitswa) de schepping te helpen voltooien. Want al noem je Spinoza atheïst (zoals Nadler als ik het goed begreep volgende week zal betogen, en ook in zijn boek over de Ethica betoogde) of panentheïst, die veren schud je, ban (cherem) of niet, niet zomaar af. Het biedt in ieder geval openingen tot wat Nadler creatief, zelfstandig denken noemt. En dat is wat hij ook van zijn studenten vraagt.’ (300 woorden). 

Stan Verdult wees op zijn blog naar een video van Nadler over Spinoza en Menasseh ben Israël, waarvan ik de link hierbij onder dank doorgeef: https://bdespinoza.blogspot.com/2019/05/beluister-steven-nadlers-lezingen-over.html