Poëzieweek 2020 en Spinoza

Afgelopen zaterdag, 1 februari, startte weer de jaarlijkse reeks lezingen met nabesprekingen vanuit de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum. Dit keer over de delen 3-5 van Spinoza’s Ethica.
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar gedurende zo’n periode (t/m maart a.s.) heb ik altijd de neiging een beetje in het onderhavige onderwerp, in dit geval ‘in Spinoza’ te zijn.

In ieder geval las ik op diezelfde (zater)dag het gedicht dat Janita Monna had gekozen voor haar rubriek ‘Poëzie’ in dagblad Trouw op Spinozistische wijze.
Het is een gedicht van de Vlaamse dichter en acteur Maud Vanhauwaert (1984), ‘Er komt een vrouw’, dat is opgenomen in de bundel Nu. Tien Dichters dat verscheen ter gelegenheid van de Poëzieweek 2020 (zie afb.).

Het eerste strofe luidt:

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’.

Het is een links uitgelijnde strofe, zoals er nog twee in dit gedicht voor komen. De volgende bestaat uit één regel:

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat.

En tot slot, met het voor deze gedichten kenmerkende underscore liggende streepje dat dit gedicht met een volgend, niet in de bundel opgenomen gedicht:

En we rennen. Met onze armen
zwaaiden wij een maat die bij ons past_

Als ik de links uitgelijnde regels ga ontleden, kom ik – met Spinoza als leidraad – uit bij een vrouw, bestaande uit lichaam en geest tezamen. Want Spinoza bracht niet langer de scheiding daartussen aan, wat Descartes deed. Lichaam en geest vormen, net als de vrouw en de ik-figuur, samen het zogenaamde parallellisme van Spinoza, alhoewel hij de term zelf – die verwarring kan zaaien – niet gebruikt. Het gaat immers niet om twee parallel lopende zaken (evenwijdig noemt Vanhauwaert het), maar om twee perspectieven, dat van het lichaam en dat van de geest, dat van het ene personage en dat van het andere in het gedicht.

De volgende regel gaat over het in elkaar haken van de twee armen tot een lemniscaat, het wiskundige symbool voor de oneindigheid die in het eerste vers al voor kwam. Ook dit kun je weer à la Spinoza lezen: de twee renners raken elkaar in het oneindige, in het absoluut oneindige (absolute infinitum), in God of de Natuur. Wat ze doen is rennen, richting daarnaartoe, zwaaiend met hun armen in een maat die bij ze past.
Wellicht is dat Bach, waarnaar iemand tijdens de nabespreking wees en het verband legde met toonsymboliek, zoals Piet Steenbakkers, de spreker voor de pauze, het verband had gelegd tussen Spinoza en de retorica. Overigens het thema van het Festival Oude Muziek dit jaar.

Het zijn maar respectievelijk drie, één en twee regels (over ritme gesproken), maar ze raken me, geven mij veel stof tot nadenken. Zoals iemand tijdens de nabespreking afgelopen zaterdag zei, dat één vergelijking die Piet Steenbakkers maakte al zóveel voor hem had verduidelijkt, dat de hele middag voor hem was geslaagd.
Het ging over iemand die zijn wiskunde weer wilde ophalen, bij de HOVO of de Volksuniversiteit. Hij zag de eerste les een som op het bord die hij/zij met geen mogelijkheid kon oplossen. Tijdens de laatste les stond die som weer op het bord, en hij/zij zag in één oogopslag (Eureka!) het antwoord: 42. Dat kon, omdat hij/zij alle stof van de tussenliggende lessen had verwerkt.

Zoiets bracht mij ook het gedicht: de hele Poëzieweek, die nog t/m 5 februari duurt, mag voor mij door die paar regels al geslaagd heten.