Het voelende brein

De serie jaarlijkse lezingen met nabesprekingen over Spinoza’s Ethica door de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum is inmiddels over de helft. We zijn ondertussen bij deel vijf van de Ethica aangekomen. Diezelfde Vereniging heeft op 20 februari jl. de zilveren erepenning – de hoogste onderscheiding – uitgereikt aan Spinozablogger Stan Verdult, die [aanvulling] op 31 mei 2020 overleed.
Beide evenementen tezamen, de eerste lezing over deel vijf van de Ethica door emeritus hoogleraar Herman De Dijn en het heugelijke feit dat Verdult de zilveren erepenning kreeg, gaven mij aanleiding tot deze blog.

Artikelen in Preludium
Om te beginnen zou je dat vijfde deel, met een gedeelte uit de ondertitel van een boek van Antonio Damasio over Spinoza, samen kunnen vatten als ‘het voelende brein’.
Die constatering van Damasio leidt mij namelijk om te beginnen naar een aantal artikelen in het tijdschrift Preludium (maart) van het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Wat niet vreemd is, omdat Verdult in zijn blog met enige regelmaat schrijft over muziek uit met name de renaissance en de barok, al dan niet gerelateerd aan Spinoza.

Het gaat om drie items. Het eerste betreft een interview door René van Peer met dirigent Alain Altingoglu. De dirigent zegt dat hij opereert ‘met een mengeling van intuïtie en kennis’ (p. 27). Het tweede item is een interview van Rahul Gandolahage met de leden van het Busch Trio. Primarius Mathieu van Bellen zegt daarin iets wat aan ons thema raakt: ‘Je hebt eigenlijk twee hoofdparameters in muziek: aan de ene kant moet je de muziek structureel begrijpen (…). Aan de andere kant moet je de muziek emotioneel begrijpen’ (p. 48). Het voelende brein dus. En het derde item tenslotte is een toelichting die Michel Khalifa schreef bij het Pianokwintet van de componist Thomas Adès. Hij schrijft daarin dat Adès ‘ernaar streeft zijn notenmateriaal zo logisch te ordenen dat subjectieve expressie en objectief vakmanschap hand in hand kunnen gaan’.

Drie kennissoorten
Los van definitiekwesties (Altingoglu zal onder intuïtie wellicht iets anders verstaan dan Spinoza), valt in alle drie de stukken in Preludium op, dat er sprake is van ‘mengeling’, ‘aan de ene en de andere kant’ en ‘hand in hand gaan’. In die mengeling gaan de drie kennissoorten die Spinoza benoemt (verbeelding, ratio en intuïtie) hand in hand, en is er dus sprake van wat De Dijn een soort parallellisme noemt. Of zoals Piet Steenbakkers tijdens zijn lezing over het derde deel van Spinoza’s Ethica zei: ‘kennis wordt een affect’. De Dijn meent dat stelling 20 uit het vijfde deel van Spinoza’s Ethica door Nico van Suchtelen verkeerd is vertaald. Daar, in het deel waarin intuïtie en amor intellectualis Dei (verstandelijke liefde jegens God) de hoofdtoon voeren, lezen we:

Deze liefde jegens God kan noch door nijd, noch door ijverzucht worden ontwijd, maar  zij wordt juist des te sterker, hoe méér mensen wij ons ons onder éénzelfde band van Liefde met God verbonden denken.

Volgens De Dijn zou je hier op grond van het Latijn ‘verbeelden’ moeten lezen. Ze hangen aan elkaar, aldus De Dijn. Hij zoekt zijn ‘bewijslast’ vaak in gedichten, onder andere in die van Leo Vroman; Stan Verdult blogde erover (zie link onderaan deze blog). Ik deed dat overigens onlangs ook, met enkele regels uit een gedicht van Maud Vanhauwaert.

Intellect en intuïtie
Maar ik zoek het, net als Verdult, ook graag in muziek. De drie artikelen in Preludium wezen mij de weg. En – als toegift – een recensie van de CD Double Solo van pianist Stevko Busch en altsaxofonist Paul van Kemenade (in: Trouw, 28 februari 2020) door Mischa Andriessen, onder de kop ‘Een combinatie van intellect en intuïtie’. Niet ‘Duo’ maar ‘Double Solo’. De twee musici doen allebei, zoals De Dijn het wellicht zou noemen, adequaat en in samenspraak ‘hun ding’.
Elke keer als ze optreden weer anders, want dat is niet alleen inherent aan jazzmuziek, maar aan elke goede uitvoering van welke muziek dan ook. Zoals De Dijn ook weer elke keer iets nieuws in de Ethica vindt. Ook nu maakte hij ons daar deelgenoot van.

Vooruitblik
De laatste lezing dit jaar wordt volgende week zaterdag gegeven door Paul Juffermans [vervalt i.v.m. maatregelen t.a.v. het coronavirus]. Hij zou het tweede gedeelte van het vijfde deel uit de Ethica behandelen en onder meer over het begrip eeuwigheid bij Spinoza spreken.
Herman De Dijn gaf daar al een voorzetje van. Eeuwigheid, definieerde hij, is een perspectief in de tijd. Ik veerde daarom op, toen ik zondag 1 maart tijdens het televisieprogramma Podium Witteman de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson Le rappel des oiseaux (1728) van Jean-Ph. Rameau hoorde spelen, met zijn kenmerkende rusten. Ter toelichting daarop zei hij, dat de tijd daarin stopt. Ja – even voel je daar de eeuwigheid zoals Spinoza dat wellicht bedoelde. In het hier en nu.

 

http://blog.despinoza.nl/log/leo-vroman-spinozistisch-dichter.html

Le rappel des oiseaux van Rameau, gespeeld door Matthias Havinga op het Ahrendorgel in de Bovenkerk van Kampen: https://www.youtube.com/watch?v=pTwSt4prp9M

Theo Verbey (1959-2019)

Voor hij het pand verliet, wuifde hij als ik in de buurt was altijd vriendelijk lachend naar mij. Je kunt me met zo’n geste om je vinger winden, zoals ook wel van zijn welluidende muziek werd gezegd, dat hij het publiek stroop om de mond smeerde. Maar dat zegt méér over de anti-esthetische houding van hardcore liefhebbers van moderne muziek, dan van zijn composities, waar nota bene modernistische, wiskundige fractels aan ten grondslag lagen. ‘Waarom heb je een boek over fractels aangeschaft?’, vroeg de toenmalige directeur van zijn toenmalige uitgeverij – die later zijn werk meenam naar waar het grootste deel van zijn werk zou worden uitgegeven, enkele buitenlandse uitstapjes daar gelaten. ‘Nou’, antwoordde ik, ‘je weet wel: Theo Verbey’. Toen was het goed.

Op 13 oktober jl. is hij op 60-jarige leeftijd overleden. Het moment waarop hij door een andere directeur van Donemus werd ontdekt, heug ik me nog als de dag van gisteren, want dat zijn ‘de’ enerverende momenten in je dagelijks werk: er is een componist van grote klasse ontdekt! Het ging om Verbeys orkestratie uit 1984 van Alban Bergs Pianosonate nr. 1, dat vele malen op de lessenaars van het Koninklijk Concertgebouworkest stond, in binnen- en buitenland. Naar het buitenland mocht het als paradepaardje mee, hoewel Verbey niet bekend stond als een Nederlands componist pur sang.
Geen in memoriam kwam eronder uit dit stuk met naam en toenaam te noemen, maar dat de componist een wat schrijvers een writers block opliep nadat de verwachtingen zo hoog waren gespannen, bleef vaak onvermeld, al kwam de term ‘depressie’ in verband met zijn leven en welzijn wel een enkele keer voorbij.

Die onzekerheid hoorde bij Verbey en werd aan het begin van zijn vliegende carrière ten onrechte wel als hoogmoedigheid versleten. Ik zie hem nog staan schutteren en twijfelen in de garderobe van de Beurs van Berlage in Amsterdam, voor een concert waar een werk van hem zou worden uitgevoerd: moest hij nu met het afgeven van zijn jas wel of niet een fooitje geven?
Het ging om het Donemusjubileumconcert waar het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Lucas Vis zijn Triade uitvoerde. De recensies zongen weer hetzelfde, elkaar imiterende liedje: vakmanschap, hechte constructie, mooie orkestratie.

Het concert viel in dezelfde tijd dat ik, als me op dat moment zou worden gevraagd welk muziekstuk ik mee zou willen nemen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland, ik voor Duet voor twee trompetten (1992) zou hebben gekozen.

Op 10 oktober jl., enkele dagen voor de zieke Verbey zich van het leven benam, woonde ik het eerste concert bij in de Horizon-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest in het nieuwe seizoen. Ik werd er weer even aan herinnerd, dat bij het volgende concert in deze serie zijn laatst voltooide werk, Ariadne, een opdracht van dit orkest in première zal gaan. Ik verheug(de) me erop, nog niet in de wetenschap verkerend dat deze eerste uitvoering een rouwrandje krijgt en postuum zal plaatsvinden.

Rest in de tussentijd het opnieuw beluisteren van de vijf compact discs met zowel zijn kamermuziek als orkestwerken die ik in ’t rek heb liggen. Om zijn naam levend te houden.