Het recht om een ander te worden

Anne Wadman (1919-1997) is een stukje in mijn achting gestegen. Jarenlang heb ik hem meegemaakt als concertmeester van het Fries Kamerorkest, waarvan ik tweede hoboïste was. Niet dat ik me kan herinneren ooit een woord met hem te hebben gewisseld. Hij hield zich überhaupt afzijdig, en trok alleen met de plaatsvervangend concertmeester op, waarmee hij ongelooflijke lol beleefde toen we eens een koordirigent hadden die paarse sokken droeg. Maar met de rest van het orkest, en zeker niet de blazers, hield hij zich niet op; daar is de orkestcultuur te hiërarchisch voor.

Bovendien was hij natuurlijk beroemd in Friesland en bekend in de rest van Nederland. Als schrijver, dichter, literatuurcriticus en letterkundige. Ik had wel eens wat van hem gelezen, zoals De Smearlappen (1963), zijn bekendste en meest vernieuwende boek. Maar ik had ook zo mijn twijfels bij mans oorlogsverleden: hij had enerzijds de loyaliteitsverklaring getekend en anderzijds ondergedoken gezeten. Laten we ’t er maar op houden, dat de oorlog hem nog steeds emotioneerde. Dat bleek tenminste toen hij eens bij een gebeurtenis in De Harmonie in Leeuwarden achter me zat, en op luide, geëmotioneerde toon over de oorlog sprak tegen een mevrouw naast hem, die ik gemakshalve en al dan niet terecht versleet als een dochter uit zijn huwelijk met Hylkje Goïnga, ook een schrijfster.

Niet lang voor ik naar Amsterdam verhuisde, las ik met een brede grimlach over het feit dat de weduwe van Simon Vestijk haar medewerking weigerde aan Wadmans plan om samen met Hans Visser een biografie over Vestdijk te schrijven. Een zekere ambivalentie over Wadman was nog steeds niet voorbij, waarbij het wel leuk is op te merken dat ik in die tijd als muziekredacteur was verbonden aan de krant waarvoor hij ook wel schreef of had geschreven: de Leeuwarder Courant. Toch nog een beetje collega …

Ik wist ook dat Wadman samen met mijn baas bij de Centrale Bibliotheekdienst voor Friesland, Minne Vis, meegedaan had aan Kneppelfreed, Knuppelvrijdag in 1951. In dat verband is echter vooral de naam van Fedde Schurer bekend geworden. Met knuppels en waterkanonnen was de rel neergeslagen die ontstond toen Friezen het recht opeisten om Fries in de rechtszaal te mogen spreken.
Schurer – las ik vandaag aanvullend in een artikel van Willem Visser in dagblad Trouw – en hij hadden ‘een parallel getrokken tussen de onderdrukking van de culturele rechten van Friezen en Surinamers.’ Dat pleit voor Wadman, en zou anno nu tot voorbeeld kunnen dienen. Zo heeft iedereen het recht om een stukje in achting te stijgen in de beleving van een ander.

 

http://www.sirkwy.frl/index.php/schrijvers-biografieen/107-w/450-wadman-anne

Er was er eens niet

Eén van de interessantste filosofische interpretaties die ik eens hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.

Ik kom erop toen ik in een recente bundel van Judith Herzberg las over haar gewaarwording in een vliegtuig, waar ze een schrijver met een houten been trof. Het leidt tot allemaal vragen, over het been en de schrijver.

Ik leg de uitleg van Sorensen en de notities van Herzberg in dit stukje – dat deels gebaseerd is op een column die ik eerder voor Wervelingen schreef en op deze blog plaatste (http://elsvanswol.nl/?p=1904) – naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas).

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘been’ in combinatie met ‘deformiteiten’ (een geamputeerd been). Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring.
Zoals Herzberg zich afvraagt of er met dat houten been ‘eerlijkheid’ tot uitdrukking komt. Of dat het eerder ‘een heel erg binnenstebuiten gekeerde vorm van ijdelheid is.’ Ze zet haar verbeelding aan het werk en constateert dat de man een zitplaats met extra beenruimte krijgt, en daarvoor een stoel moest worden weggehaald. ‘Eén heel mens kan er dus minder mee vanwege dat ene been’ schrijft ze dan.

Het lege ik wordt bij haar dus niet gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel (‘Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden’) maar met verbeelding.
Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) de filosoof afdoet omdat aan zijn denken juist ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Maar een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen, mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven. Dat is wat Herzberg deed.

Judith Herzberg: Er was er eens en er was er eens niet
(Uitgeverij De Harmonie).          

 

Het lege ik

KantEén van de interessantste filosofische interpretaties die ik de laatste tijd hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804, zie afb.), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.
Ik leg deze uitleg in dit stukje naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas) en trek tenslotte conclusies uit de negatieve duiding die vaak zowel Kant als het boek Compassie (uitg. De Bezige Bij) van Karen Armstrong ten deel vallen.

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘rug’ in combinatie met ‘deformiteiten’. Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring. In zijn geval klopt dit trouwens tussen haakjes helemaal; bekend is dat hij niet alleen klein van stuk was, maar ook vergroeid met aan de ene kant een hogere schouder dan aan de andere.
Het lege ik wordt zo gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel; wat een verpleegster mij eens antwoordde toen ik enkele jaren geleden in het ziekenhuis lag en haar complimenteerde en bedankte voor de wijze waarop ze met patiënten omging: ’Ach, ik denk altijd maar: “Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden”.’

Volgens Karen Armstrong ligt deze regel ten grondslag aan drie grote wereldgodsdiensten: jodendom, Christendom en islam. Het transcendente ik kan volgens haar (en het is alsof je ook Kant hoort) alleen worden gerealiseerd door compassie met de medemens.
Volgens een recensente als Beatrijs Ritsema (ja, dezelfde van de etiquette) zijn de Bijbel en de koran een omweg om dit algemeen menselijke te bereiken.
Maar niet alleen Armstrong, ook Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) Kant afdoet omdat zijn denken ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen en Armstrong mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven.

Lorenzetti_SienaEn dan zie ik één beeld voor me: de fresco Gli effeti del buon governo in città e campagna (De effecten van goed bestuur in stad en land, zie afb.) van Ambrogio Lorenzetti (1338) in het Palazzo Pubblico van Siena. Wat een heerlijkheid, waar iedereen een plaats heeft: van kleine kinderen tot krom gegroeide ouderen en alles wat daartussen zit. Volgens mijn reisgids is het opmerkelijk ‘dat deze [cyclus] zich niet in een kerk maar in een raadhuis bevindt’. Waarom? Lees een gedicht van Hanny Michaelis (in: Wegdraven naar een nieuw Utopia, uitg. Van Oorschot) en begrijp dat de Bijbelse beelden die zij noemt zowel in kerk als samenleving tot hun recht kunnen komen:

legden leeuwen en tijgers
hun kop op de poten
en sliepen in, slangen rolden
zich op en zelfs de schorpioen trok zich terug. Verlost
haalde ik adem, ik voelde
je hart tegen het mijne kloppen
en in mijn binnenste werd het stil
als in de lege kerk vlak voor
het ogenblik waarop het orgel
zijn triomfantelijke stem verheft.

Herplaatsing van een column die ik schreef voor Wervelingen (zomer 2011). T.g.v. de Akademie van Kunsten-lezing die de Kantiaan Susan Neiman woensdag 18 november 2015 in het Trippenhuis te Amsterdam zal houden o.d.t. Art and Enlightenment: Old-fashioned thoughts for the 21st Century.