Helse pijn

Vanavond zendt de KRO-NCRV op NPO2 in 2Doc de documentaire Helse pijn (still hiernaast) uit. Een programma over chronische,  neuropathische pijn, zenuwpijn. Pijngeneeskunde heeft sinds 2010 de status van medisch specialisme binnen de anesthesie. In de winter van dat jaar publiceerde Wervelingen in een themanummer over pijn een column van mij, die ik in het kader van de uitzending van vanavond hier met toestemming herplaats.

Het is mijn fysiotherapeut die mij, al weer heel wat jaren geleden wees op het boek Pijn en cultuur van Henk Driessen, waarvan inmiddels een tweede druk is verschenen. Driessen beschrijft de verschillende gedaanten die pijn aan kunnen nemen. ‘Een fascinerend boek over pijn als vloek en zegen’, aldus recensent Freek Stegeman. Een rake conclusie die niet alleen door dit boek wordt gestaafd, maar ook in romans en andere literatuuruitingen.
Daarin is immers alles mogelijk. Maar er is en blijft één constante tussen al die ernst en luim: het literaire spel dat wordt gespeeld staat als het goed is altijd ten dienste van de existentiële ernst die, hoe je het ook wendt of keert, ten diepste met pijn gepaard gaat.

Ik beperk mij hier tot enkele voorbeelden van boeken die zijn geschreven door Nederlandse auteurs die zelf op de één of andere manier pijn hebben. En laat thrillers van bijvoorbeeld Inger Ash Wolfe (niemand weet wie achter dit pseudoniem schuilgaat) over Hazel Micallef, de politiechef met een pijnlijke rug, buiten beschouwing.

Om te beginnen een al wat ouder boek: het kinderboek Bezoek van Mister P (2007) van de in 2009 overleden kinderboekenschrijfster Veronica Hazelhoff. Mister P is de gepersonifieerde pijn, zoals de filosoof Nietzsche zijn pijn ‘hond’ noemde. Hazelhoff plaatste in haar leven pijn ook buizen zichzelf om er zo mee om te kunnen gaan. Al zingend: ‘Hello, Pain My Old Friend’, daarmee Simon en Garfunkel parafraserend.
Het was voor het eerst en het laatst dat Hazelhoff over pijn schreef; ze verloor zich liever in een verhaal om even niet aan pijn te hoeven denken.

Een recenter boek is de derde roman van Wouter Godijn: Mijn ontmoeting met God en andere avonturen. In NRC Handelsblad van 24 september 2010 door recensent Arjen Fortuin neergesabeld als de pennenvrucht van ‘een schrijver met (…) een bovenmodale belangstelling voor zichzelf.’ Maar als je verder leest, staat er toch iets in die recensie dat de aandacht trekt: ‘Een verstandig mens legt zich bij [de] grillen van het noodlot neer: rampen gebeuren nu eenmaal. Godijn interesseert zich niet zoveel voor verstandige mensen, hij verdiept zich in de wrede almacht die hun levens bestuurt en verstoort.’ Godijn kiest voor een surrealistisch verhaal, waarin de alwetende verteller alles naar zijn hand kan zetten. Dáár wel. Want in het dagelijks leven lukt dat niet. De pijn als vloek, om Stegemans uitspraak in herinnering te roepen.

Het andere uiterste van het spectrum lijkt aanwezig in een roman van Hannes Meinkema, maar waarover de schrijfster in een interview met Iris Pronk in Trouw (17 oktober 2009)  uitgebreid wilde vertellen. Dat leverde een rijk verhaal op. Hannemieke Stamperius (de eigenlijke naam van Hannes Meinkema) heeft in haar hoofd (‘ik leef hier’, zegt ze, op dat hoofd wijzend) een switch gemaakt: ‘Van het niet willen tot het opzij zetten van die wil. Gewoon in het nu zijn, de ervaring toelaten, er geen oorlog tegen voeren, je er ook niet bij neerleggen. Acceptatie is een doorlopend proces, een zoeken naar: hoe kan ik hier vreugde uit putten?’ Aan het slot van het interview wordt beschreven hoe de auteur van haar pijn de sprong heeft gemaakt naar de pijn van de wereld: ‘Als je pijn niet accepteert, dan ben je zielig, narrig, niemand begrijpt je. Doe je dat wel, dan ben je superdicht bij het leed van anderen.’

Horen wij hierin iets terug uit de essays van Michel de Montaigne (1533-1592), die als humanist bij uitstek ‘kennis van het eigen lichaam van wezenlijk belang [vindt] voor de zelfkennis en de kennis van de ander’ (Driessen, p. 20)?

Philippe Claudel en William Shakespeare

ShakespeareIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel, had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de tweede: over Claudel en Shakespeare.

Ik bespreek hier kort de compositorische overeenkomst tussen Claudel en de techniek van het drama-in-het-drama in drie late toneelstukken van William Shakespeare.[1] Met het oogmerk om het kwaad op het spoor te komen. De techniek wordt in verband met Claudel door Caryn James “a shadow version” van het eigenlijke verslag, van het eigenlijke drama genoemd.[2] En door Robert Egan een poging om de werkelijkheid te veranderen door middel van een dramatische illusie, tussen het stuk en de belevingswereld van de toeschouwers. De bedoeling is de thematiek te actualiseren.

Een fraai voorbeeld van illusie, een stijlmiddel waar Claudel ook mee speelt, is het zesde toneel in de vierde akte van King Lear. Het speelt in de buurt van Dover, en Edgar maakt zijn geblinddoekte vader wijs dat hij een heuvel op klimt en de zee hoort. Als hij niet oppast, zal hij zo de zee in storten. Tegen het publiek zegt hij: “Why I do trifle thus with his despair / Is done to cure it” (“Ik speel met de vertwijfeling van zijn hart / Om het te helen”).[3] King Lear zelf staat op dat moment niet op het toneel; zoals Brodeck op het beslissende moment ook niet aanwezig was.
Edgar omschrijft de natuur die Gloucester, zijn vader, niet kan zien, zoals Brodeck en Bertil de natuur beschrijven en Maser (Bormann) zich na de Tweede Wereldoorlog voordeed als landbouwexpert. De natuur wordt op die manier het product van de verbeelding.

Egan beschrijft Gloucester “as an Everyman or Mankind figure”, zoals tot op zekere hoogte ook de Anderer in Claudels roman kan worden gekarakteriseerd.[4] Ook Egan gaat verder op het spoor waarop ik me begeef, wanneer hij stelt dat het Edgar erom gaat “moral and methaphysical means” op het publiek over te brengen.[5]
Bij Shakespeare is dat het idee van een kosmische orde en Egan verwijst daarbij naar Hobbes.[6] Bij Claudel speelt deze orde ook een grote, metafysische rol, gelijk bij Shakespeare: “When the rain came to wet me once and the wind make me chatter, when the thunder would not peace in my bidding” (“Toen de regen mij doornat maakte en de wind mij deed klappertanden, toen de donder niet wilde zwijgen op mijn bevel”).[7] Het impliceert geen structuur of rede, want King Lear, die deze woorden sprak, wordt (of is in sommige opvoeringen al vanaf het begin) gek. “Nature is above art” (“In dat opzicht gaat de natuur boven kunst”), waarbij natuur eerder slaat op nature tegenover nurture dan op de natuur bij Claudel en Lindgren.

Met deze conclusie komen we automatisch bij het laatste stuk van Shakespeare dat Egan bespreekt, The tempest, en met name bij het personage Caliban.[8] Een figuur die sterke overeenkomst vertoont met Orschwir uit Het verslag van Brodeck; beide verbranden aan het eind respectievelijk boeken en het verslag. Caliban verbrandt de boeken van Prospero, de held en protagonist van het stuk die – volgens Caliban – zonder zijn boeken een idioot is (III.ii.91). Caliban “is the amoral, appetitive, suffering self in all of us, ever in search of freedom to satisfy all its hungers – visual, sexual, and emotional – and ever ready to follow any ‘god’ who promises such freedom”.[9]

Prospero is verwant aan de Anderer. Door zijn boeken, en zijn kracht omdat hij – gelijk de oude man in Macbeth – zou kunnen zeggen dat “God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!” Prospero is in staat tot een moreel oordeel, geworteld in zijn boeken en – minder – in de werkelijkheid. Hij zou ook Bertil als een mens bejegenen, zoals hij Caliban doet. Zijn behandeling van Caliban doet naar voren komen dat er volgens Egan “a Caliban is in the best of men”. Hij wil “restore a harmony and order to this world in which, presumably (…), Caliban will have [his] place”.[10] Die wereld kan ten goede keren door categorieën als kunst, moraal, reflectie, vergeving, acceptatie, actie en liefde in plaats van ten kwade door wraak. Alleen een wonder kan voor elkaar krijgen dat dit lukt.[11]


[1] Gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan: Robert Egan, Drama within drama. Shakespeare’s sense of his art in King Lear, The winter’s tale and The tempest (New York 1972).
[2] Caryn James, ‘Ethic cleansers’, Sunday Book Review (8 september 2009).
[3] William Shakespeare, King Lear (Antwerpen en Amsterdam 2007) 259-260.
[4] Egan, Drama within drama 23.
[5] Ibid. en 25.
[6] Id., 27.
[7] Shakespeare, King Lear 261.
[8] Egan beschouwt de drie toneelstukken die hij behandelt als een vorm van dialectiek (p. 92): “disorder”, “order” en harmonie (p. 100). Omdat ik hier niet Shakespeare als zodanig behandel, laat ik het tweede stuk (The winter’s tale) buiten beschouwing.
[9] Egan, Drama within drama 95.
[10] Id., 99.
[11] Id., 113-115.