Boksen is eigenlijk een denksport

Des te ouder je wordt, lijkt het wel, des te meer je bepaalde voorliefdes van je ouders gaat begrijpen. Eén liefde van mijn vader, die voor boksen, probeer ik al lange tijd te doorgronden. Hoe kon iemand die zó vredelievend was en – in spreekwoordelijke zin – nog geen vlieg kwaad deed, van boksen houden? Midden in de nacht stond hij, als hij de slaap niet kon vatten, soms op om op de televisie naar een bokswedstrijd te kijken. Waarvan hij dan de volgende ochtend aan het ontbijt verslag deed. Huh?

Ik herken me om te beginnen niet in een omschrijving van Thomas Heerma van Voss, vandaag in De Groene Amsterdammer. Hij schrijft dat boksen ‘een manier is om alles uit jezelf te halen’, zoals in de filmcyclus Creed. ‘Boksen als middel om jezelf fysiek zo veel mogelijk uit te dagen. Als strohalm voor mensen die niets meer te verliezen hebben, een laatste middel waarmee achtergestelden en onzichtbaren zich alsnog kunnen laten gelden’.

Wat meer in de buurt komt een opmerking van de schilder Sam Andrea, die boksen leerde van zijn vader Pat Andrea, die het weer van zijn vader, Kees Andrea leerde. ‘Boksen en schilderen’, zei hij eens in een interview met Sara Luijters (in: Uitkrant, april 2019), ‘hebben veel raakvlakken. Bij allebei moet je een mentaal gevecht leveren.’ De link ligt erin, dat mijn vader goed en graag kon tekenen, net als zijn vader.

Maar soms kom je nog een stapje dichterbij: van mentaal gevecht naar strategisch inzicht. Dat kan wel kloppen – dat had mijn vader zeker. Maar een van de knipplakgedichten van  Vicky Franken die je vanaf vandaag als alternatief poëzieweekgeschenk (Blauw is tweekleurig) bij sommige boekhandels gratis krijgt bij aankoop van een bepaald bedrag aan poëzie, kwam tot nu toe het dichtste bij (zie afb.). Het dichtste bij, omdat het dat strategische in zich draagt en klopt: mijn vader was een groot liefhebber van denksporten: schaken, dammen, puzzelen. En van tekenen en boksen dus.

Ja, dat bundeltje wil ik (ook) graag hebben! Niets ten nadele van het reguliere poëzieweekgeschenk van Tom Lanoye natuurlijk!

http://www.uitgeverijcru.nl/bundels/blauw-is-tweekleurig/

 

Elkaar de hand schudden

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen de biopic Maudie naar het leven van de Canadese schilder van naïeve schilderijen Maud Lewis (1903-1970, afb. hieronder), gespeeld door Sally Hawkins (afb. boven). Lewis leed aan een ernstige vorm van reumatoïde atritis, waardoor zij klein van gestalte bleef en haar handen, armen en rug krom waren gegroeid.
Dit levensverhaal doet in de verte denken aan de opera
Die Gezeichneten van Franz Schreker (1878-1934) en het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea (geb. 1943). Ze zouden allemaal elkaar de hand kunnen schudden. Over Schreker en Andrea schreef ik eerder (herfst 2007) in Wervel-ingen. Die column neem ik hier, onder toestemming, iets aangevuld over.

Bij De Nederlandse Opera werd aan het eind van het seizoen 2006-2007 Die Gezeichneten van Franz Schreker opgevoerd in een regie van Martin Kušej. De getekenden – in de dubbele betekenis van het woord: de mismaakte of door ziekte getekende hoofdpersonen Alviano en Carlotta, en de door Carlotta letterlijk getekende mensen (of liever: handen).

Kušej heeft het verhaal dat tijdens de renaissance speelt naar onze tijd vertaald. Zo tekent Carlotta niet langer, maar maakt ze foto’s. Wat een accent verlegt, want de bedoeling (het willen vangen van ‘zielen’) blijft hetzelfde.
Maar Kušej gaat verder. Hij waste alle Jugendstil-decoraties af en boog de verkrampte manier van omgaan met seksualiteit om. Zo hield hij een laag over waarin de wreedheid van de tijd van ontstaan van de opera (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog), net zo wreed als de tijd waarin Lewis leefde en waarin afwijkende verschijningen werden verborgen, tijdloos is. Een laag waarin kunst en leven, esthetiek en ethiek van elkaar zijn vervreemd; een wereldoorlog later kennen we de verhalen van de beulen uit de kampen die ’s avonds Mozart speelden.

De manier waarop Schreker zijn eigen libretto toonzette, doet soms meer aan de innerlijke wereld van de Franse impressionisten (Debussy, Ravel) denken dan aan de gevoelsuitbarstingen van de expressionisten van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern). Daarom verzuchtte een recensent uit de tijd van de componist dat diens muziek geen toekomstmuziek was, maar – en dat was een rake constatering – ‘hedendaagse kunst in de volste zin van het woord.’ Actueel tot op de dag van vandaag, en daarom terecht weer onder het stof vandaan gehaald, zoals Lewis een film waard is.

Zoiets dergelijks geldt ook voor de waardering van het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea, die Schreker over de tijd heen de hand zou kunnen schudden. Zoals Schreker begon in een tijd dat de Weense School invloed begon te krijgen, zo begon de Haagse Andrea zijn loopbaan in een periode waarin de meeste schilders abstract werk maakten, terwijl hij het – net als Lewis – bij figuratieve schilderijen hield.

Andrea beeldt net zoals Schreker mismaakte mensen af. Mensen zonder volledig volgroeide ledematen, gedeformeerde lichamen à la Bacon. Ook zij lijken symbool te staan voor een gebroken wereld waarin geweld en preoccupatie met seksualiteit (over)heersen.
Maar er is nóg een overeenkomst: in beider werk is ook tederheid aanwezig. Niet voor niets is Schrekers werk verwant aan het impressionisme en wordt Andrea wel een ‘psychisch impressionist’ genoemd.

Het blijft allemaal dubbel: het eiland bij Schreker, de tuin op L’anuonciation II (1996-2001) van Andrea, de kippen, katten, bloemen, vlinders in heldere kleuren bij Lewis. Het is soms te mooi om waar te zijn, en te waar om mooi te zijn. Zoals het leven  zelf, al dan niet getekend door mismaaktheid, ziekte of pijn zoals bij Lewis.