Piet Steenbakkers en Spinoza

spinoza_in_muziekHet is een knappe, retorische truc: zeggen dat je geen oordeel kunt en gaat geven op het bijzonder hoogleraarschap Spinozastudies van Piet Steenbakkers, vanwege het bereiken van diens pensioengerechtigde leeftijd, en het en passant toch min of meer wel doen. Stan Verdult deed het in een blog op zijn website (http://spinoza.blogse.nl/log/het-bijzonder-hoogleraarschap-spinozastudies-van-piet-steenbakkers-komt-ten-einde.html).

Wat ik wil doen is evenmin een oordeel vellen over de vruchten van dit bijzondere hoogleraarschap, en twaalf jaar gewoon hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht, want op het universitaire werk van Steenbakkers en zijn postdoc-medewerkers heb ik geen kijk. Wat ik wél wil doen, is nagaan welk beeld van Spinoza ik dank zij Steenbakkers met name binnen de Vereniging Het Spinozahuis, waarvan ik lid ben, heb opgebouwd.

Korte Verhandeling
Als ik mijn aantekeningen mag geloven, heb ik hem op 19 februari 2005 voor het eerst bij de Vereniging gehoord. In een inleiding over ‘De verschillen tussen de Korte Verhandeling van God, de Mensch en dezelve Welstand en de Ethica.
Steenbakkers vroeg zich onder meer af waarom Spinoza de naam ‘God’ bleef gebruiken in plaats van ‘Natuur.’ En hij gaf het volgende antwoord: Misschien omdat de denker eerst door de studie van het jodendom en het schrijven van de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) moest gaan, alvorens hij de Ethica kon schrijven. Spinoza had volgens hem geen probleem met God, maar met de predikanten uit die tijd die het hadden over een wrekende God.

Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk
Een jaar later legde Steenbakkers tijdens een zomercursus van de Internationale School van Wijsbegeerte (ISVW) en de Vereniging in Leusden onder de titel ‘Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk’ diens kenleer uit.
Hij ging toen nog een stapje verder dan het jaar daarvoor, en meende dat Spinoza de Naam van God in de Ethica nodig had vanwege de affectenleer. Hij bracht ook een nuancering aan bij de opvatting van diegenen die menen dat Spinoza in het vijfde deel van dit boek de deur open zou hebben gezet naar het idee van onsterfelijkheid van de ziel. Hij zag het eerder als een opgaan in een soort Al-geest, een collectief denken. Dat is iets anders dan de hemel, maar een verrijking van de mens(heid) door de twee attributen van God: denken en uitgebreidheid.

Recente ontwikkelingen
Tijdens de herdenking van de 375ste geboortedag van Spinoza, weer een jaar later, in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, spon Steenbakkers weer verder aan deze draad. Hij sprak over recente ontwikkelingen in het Spinoza-onderzoek, en noemde drie punten:
1. De nog nauwelijks onderzochte Bijbelkritiek van Spinoza
2. De meer onderzochte, hiervoor al genoemde affectenleer (Nico Frijda, Damasio)
3. Het onderzoek van Moreau.

De briefwisseling
Ik sla een paar jaar over, omdat ik niets in mijn aantekeningen over Steenbakkers terugvind, en kom uit bij diens inleiding over ‘Filosofische thema’s in de briefwisseling’ die hij in 2013 voor de Vereniging hield.
Steenbakkers stelt dat een belangrijk thema hierin het meningsverschil tussen Spinoza en enkele theologen uit die tijd over de hiervoor reeds genoemde attributen van God is. Spinoza beperkte deze tot denken en uitgebreidheid. De rest beschouwt hij als modi van God (Eeuwigheid, Alwetendheid enz.). Steenbakkers ziet een overeenkomst in de manier waarop Spinoza over het jodendom en het christendom denkt, en die is gelegen in de liefde. In november 2009 had Steenbakkers dit onderwerp, ‘Spinoza en de liefde’, al aangesneden tijdens een studiedag van de Amsterdamse Spinoza Kring. [1]

Democratie
We spinnen verder. Tijdens Steenbakkers inleiding over ‘Democratie’, het elfde hoofdstuk uit Spinoza’s Tractatus Politicus, mei 2014 en ook weer voor de Vereniging, heeft hij het wederom over collectief denken, net als in Leusden. Hij erkent dat dit beperkingen heeft, en dat God geen geest heeft (antropomorf). Steenbakkers ging ook nu in op recent onderzoek, onder andere op een boek van Martin Saar: Die Immanenz der Macht. Politische Theorie nach Spinoza (Berlijn 2013).
Ik zat in een gespreksgroep die traditiegetrouw na de inleidingen en de pauze samenkomt. Piet Steenbakkers was dit keer de gespreksleider. Ik was ook hier weer geraakt door zijn kennis van de joodse achtergrond van Spinoza’s denken. De opmerking ‘Maar hierover genoeg’, die je in Spinoza’s werk tegenkomt, staat volgens Steenbakkers op één lijn met de ruimte die Farizeeën in hun tekstcommentaren open laten als ze een inconsistentie tegenkwamen.

TTP
Tijdens Steenbakkers’ inleiding voor de Vereniging in 2016 ‘Over het politiek aspect’  in Spinoza’s TTP, merkte ik om te beginnen op dat het interessant is, dat Spinoza het in zijn Ethica zowel over vrijheid als determinisme heeft. Kenners en liefhebbers van de Talmoed zullen dit herkennen als een kenmerkend aspect binnen het Talmoedische denken.
Ook Steenbakkers ziet beide, vrijheid en determinisme, niet los van elkaar en erkent moeite te hebben met een artikel als Free men van Steven Nadler (in: Journal of the American Philosophical Association, januari 2015). Nadler betoogt, in tegenstelling tot gangbare interpretaties, dat de mens wordt geleid door de rede.

Symposium en afscheidsrede
Zowel  Nadler als de eerder genoemde Pierre-François Moreau spraken tijdens het symposium ‘Spinoza research: to be continued’, gisteren in Utrecht. Dit werd afgesloten met een openbare lezing door Piet Steenbakkers, ‘Spinoza, de legende voorbij.’ Hiertoe beperk ik mij tot slot van deze blog.
Meteen al in zijn inleiding tot deze lezing, sprak Steenbakkers de hoop uit dat er eens een solide, omvattende monografie over Spinoza’s kenleer komt. Hij ziet dit eerder in deze blog genoemde epistemologie als het centrum van Spinoza’s filosofische systeem: vrijheid door kennis.[2]
Ook het eerder genoemde gegeven dat Spinoza als atheïst wordt bestempeld en Steenbakkers’ opvatting dat Spinoza God niet ziet als wreker (en hier toegevoegd: als schepper) die in een mensenleven ingrijpt. Wat, aldus Steenbakkers, op zich voor zijn tijdgenoten al genoeg was om hem van atheïsme en immoraliteit te beschuldigen.
Prachtig hoe de draad steeds verder werd gesponnen en genuanceerd binnen het denken van iemand die vanaf 1977, toen hij nog student was, interesse opvatte voor Benedict de Spinoza.

[1] http://amsterdamsespinozakring.nl/images/stories/pdf/lezing_steenbakkers_spinozadag_22-11-2009.pdf

[2] De tekst van deze openbare lezing, en alle tijdens het symposium uitgesproken lezingen, zijn in het Engels uitgegeven door de Uitgeverij Spinozahuis: Spinoza research: to be continued (ISBN 978 94 90250 21 8). Waar ik naar verwijs zijn gedeelten op p. 10 (bovenaan) en 14 (voetnoot 14).

Bij het overlijden van Nico Frijda

Nico FrijdaOp 11 april 2015 is op 87-jarige leeftijd de psycholoog Nico Frijda (afb.) overleden. Hij was niet alleen één van de meest geciteerde psychologen van ons land en grondlegger van het emotie-onderzoek, maar heeft ook invloed gehad op het werk van één van Nederlands meest gespeelde componisten: Chiel Meijering. Als in memoriam herplaats ik hier een gedeelte uit een artikel over Meijering dat in juni 2004 verscheen in Mens en Melodie.

Komt iemand met twee hoofden bij de koning. Of de koning ze wil splitsen. De koning vraagt niet naar een zwaard, maar om een emmer met heet water. Eén van de twee hoofden duwt hij onder water. Op het moment dat uit het andere hoofd een gil van pijn komt, zegt koning Salomo (want om hem gaat het hier): ‘Niks splitsen, ze horen bij elkaar.’

Ik moest hieraan denken bij het luisteren naar twee evenzeer heel verschillende composities van Chiel Meijering: Bats from Hell (2002) voor strijkkwartet en Infiltration M (2003) voor 3 harmonieorkesten. Eerstgenoemd stuk, waarvan de CD-opname door het Matangi Kwartet in Luister van januari 2004 een 10 kreeg, werd als dubbelslag in Mens en Melodie door Paul Janssen aldus omschreven: een ‘schitterend mysterieus Bats, een spookachtige nachtmuziek vol snerpend uitgewerkte dissonanten’, gevolgd door een From Hell waarin de ‘remmen volledig los gaan (…). Vooral dit tweede deel is een typisch Meijeringwerk’. En zo ontsnapte toch weer een gil aan één van de twee hoofden…

De componist heeft in een toelichting op één van zijn werken het ‘typische Chiel Meijering’-gehalte ook op een gelijkwaardige manier als tweeslag verwoord: ‘Virtuoos instrumentgebruik (…) gepaard aan lyriek in etherische passages.’ Maar toch wordt de nadruk veelal op het virtuoze en vitale karakter dat zijn muziek onmiskenbaar natuurlijk óók kent gelegd en minder op het ingetogen en meditatieve dat evengoed te bespeuren valt.

Het gaat soms zo ver dat, zoals tijdens de première van bovengenoemde compositie, het schitterend ingehouden Infiltration M tijdens het festival Musica Sacra Maastricht op 19 september 2003 sommige luisteraars dit werk als louter ‘een grappige remake van de film Fanfare (1958) van Bert Haanstra over rivaliserende fanfares in Giethoorn’ beschouwden. Dit omdat helaas één van de drie harmonieën bij de première ontbrak.

Nu zal Chiel Meijering zelf de laatste zijn om te ontkennen dat humor belangrijk voor hem is, ‘omdat ik mezelf als kunstenaar toch ook wel weer nuanceer en toch een hele echte Hollander ben met een katholieke vader en van huis uit protestantse moeder ook een merkwaardige mix van hard werken en uitbundige theatraliteit’; de ‘Existenzdialektik’ van Kierkegaard in een notendop!

Maar door de onevenredige aandacht die zowel het virtuoze aspect in Meijerings muziek als de – om een ander item te noemen – ‘opvallende titels met seksuele en anale toespelingen (19 centimeter uit 1981, of Gejaagd door ’n wind uit 1985)’ ten deel vallen, wordt – met dank aan de filosoof Wilhelm Schmidt, auteur van Filosofie van de levenskunst (2001) – mijns inziens maar al te gauw vergeten dat seksualiteit een onderdeel van de totale lustbeleving vormt; muziek staat, zowel in intellectuele als emotionele zin garant voor een intensere ervaring. En ook dit zal Chiel Meijering niet ontkennen, beïnvloed als hij is door een boek als De emoties van Nico Frijda. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.