Bruno Latour en John Rädecker

John Raedecker_Nationaal MonumentOp dit moment lees ik het pittige Wij zijn nooit modern geweest van de Franse filosoof Bruno Latour (1947). Hiervan is recent een nieuwe Nederlandse vertaling uitgekomen, in de serie ‘Boom Klassiek’. Het boek interfereert met een tentoonstelling die ik in dezelfde tijd bezocht: ‘Wonen in de Amsterdamse School’ in het Stedelijk Museum (nog t/m 26 augustus 2016).

Latour beschrijft de verhouding tussen natuur en cultuur. Moderne mensen denken volgens hem dat ze onderscheid tussen beide kunnen maken, maar in de praktijk is dat niet zo, want één en ander loopt voortdurend door elkaar.

Ik moet denken aan de beelden van John Rädecker (1885-1956) die ik in het Stedelijk zag. Hij behoorde tot De Nieuwe Kring, beeldhouwers en letterkundigen die de moderne samenleving bekritiseerden waarin de cultuur een steeds belangrijker plaats boven de natuur in ging nemen. Die kritiek valt uit zijn beelden af te lezen. Hij legde een voorliefde aan de dag voor hybride figuren, tussen mens en dier op een manier die voor die tijd ongekend was.

Ik lees in Latours boek (oorspronkelijk uit 1991) over de antimodernen, die ‘glashard geloven dat het Westen de wereld gerationaliseerd en onttoverd heeft, dat het de maatschappelijke werkelijkheid volgestopt heeft met koude en rationele monsters (…) en dat het de premoderne kosmos voorgoed heeft omgevormd tot een mechanische interactie van zuivere materie. Maar de antimodernen zien daar een ongeëvenaarde catastrofe in, en niet, zoals de moderniseerders, een reeks glorieuze, zij het pijnlijke veroveringen. De modernen en de antimodernen delen tot op de komma alle overtuigingen van elkaar.’

Dat geldt ook voor Rädecker, die na zijn aan de Amsterdamse School verwante werk (rond de jaren twintig) lid werd van de kunstenaarsvereniging De Brug, naar voorbeeld van Die Brücke in Duitsland. Hij stond toen voor een overgang tussen tussen natuur en cultuur.
Ook naar werk uit deze periode kijkend, en ondertussen het boek van Latour lezend, valt op dat één op één kan worden vertaald. Bijvoorbeeld wanneer Latour schrijft: ‘Wat doen de antimodernen (…)? Ze nemen de moedige taak op zich te redden wat er te redden valt: de ziel, de geest, de emotie, de interpersoonlijke relaties, de symbolische dimensie, de menselijke warmte, lokale bijzonderheden, de hermeneutiek, de marges en de periferieën.’

Latour concludeert dat de verdediging van die marges aan de randen van natuur en cultuur het bestaan van een totalitair centrum veronderstelt. Mijn gedachten gaan naar Rädeckers beelden aan het Monument op de Dam van J.J.P. Oud (zie foto), en ik kan alleen maar concluderen dat hij gelijk heeft, al relativeert hij het zelf: ‘Als [die] totaliteit een illusie is, dan is het houden van lofredes op de marges nogal belachelijk.’ Het zij zo.
Door een bezoekje aan het Stedelijk, en het lezen van Latour, ben ik Rädeckers werk opeens meer gaan begrijpen en waarderen. Het kan verkeren.

http://stedelijk.nl/tentoonstellingen/amsterdamse-school

Europa ontwaak!

Edy Korthals AltesOver ruim een maand zijn er verkiezingen voor het Europese parlement. In het kader daarvan plaats ik hier iets ingekort een recensie die ik voor Quadraatschrift (oktober 2002) schreef over een boek van Edy Korthals Altes (zie foto) opnieuw.

Jaren geleden heb ik hem een keer gehoord, in een lezing voor Kerk & Vrede in Utrecht. In de pauze sprak hij me aan. Wat hij zei, heeft een onvergetelijke indruk op mij gemaakt. Eigenlijk om dezelfde redenen die ook doorschemeren in zijn boek Europa ontwaak! Over de noodzaak van spirituele vernieuwing: Edy Korthals Altes spreekt je persoonlijk indringend, maar ook stimulerend aan.

Hij vraagt op de man of vrouw af: ‘Wat doe jij met je kennis, jouw mogelijkheden, je gehele hart en ziel, op dit cruciale moment?’ Daarom ben ik het met Bob Goudswaard in het voorwoord eens, dat je ‘dit boek dan ook in de handen van veel mensen en gespreksgroepen’ wenst.

De gedesoriënteerde mens
Als een refrein komt door het (eerste deel van het) boek, ‘De gedesoriënteerde mens’, terug dat we een nieuwe oriëntatie moeten vinden op:

1. de mens (onszelf, de anderen, de samenleving)
2. de materie (ons bezit, goederen, geld etc.)
3. de natuur (respect voor het leven in al zijn vormen).

Niet voor niets staat Zadkine’s beeld De verwoeste stad op het omslag: ‘het hart’ of ‘de ziel’ is volgens Korthals Altes aangetast.

Spiritualiteit
In het tweede deel, ‘Spiritualiteit’, treedt de auteur in de voetsporen van Jacq. Delors, die opriep ‘te zoeken naar een hart en ziel voor Europa’. De auteur vindt dit in het christelijk geloof en met name in het transcendentie, ‘de levende relatie tot God’. Daarbij wijst hij op de ‘zachte krachten’ van het geloof, die hij als ambassadeur in Polen heeft ervaren en op de ‘beslissende en sterk positieve rol’ die religie vervulde bij de val van het communisme in de DDR en de vreedzame machtsoverdracht in Zuid-Afrika.

Hoe vertalen we mooie woorden?
In het derde deel van het boek, ‘Hoe vertalen we mooie woorden in een harde werkelijkheid?’, verwoordt Korthals Altes enkele bezwaren tegen de globalisering: ‘Een groeiende verdeeldheid van de samenleving en uitsluiting van steeds meer mensen uit het arbeidsproces’. Alleen ‘op basis van intensieve samenwerking tussen de religies [is er] hoop, dat het voortschrijdend proces van de-humanisering in onze samenleving gekeerd kan worden’, aldus Korthals Altes.

De vraag is kortom: Adam, waar ben je, terwijl Europa ten onder dreigt te gaan?