Ter nagedachtenis aan Geert van der Bom

Afgelopen week, op 21 april jl., overleed dr. Geert van der Bom, tot zijn ziekte een geliefd gastpredikant van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam. Ik bewaar dankbare herinneringen aan hem; hij zegende mij toen ik ouderling-kerkrentmeester werd. Maar dat niet alleen, ook een preek waarin hij een visioen van het Komende Wereld legde naast fresco’s van Ambrogio Lorenzetti, die ik kort daarvoor zag, zal mij altijd bijblijven. Onlangs kwam de preek tot ontroering van de deelnemers nog ter sprake, tijdens een leerhuisbijeenkomst naar aanleiding van een tekst uit Jesaja – waarschijnlijk dezelfde als waar Van der Bom over preekte.
Ter herinnering aan hem, zijn uitleg en om zijn naam levend te houden deze blog, die ik in verkorte vorm reeds op 12 december 2016 plaatste. Zijn nagedachtenis tot zegen.

Voor mijn geestesoog verschijnen de fresco’s van Ambrogio Lorenzetti (ca. 1290-1348) in het Palazzo Pubblico in Siena (zie afb.), die ‘hoop’ uitdrukken.

Aan de ene kant is een slecht bestuur dat tot kwaad leidt verbeeld: crudelitas (wreedheid), proditio (verraad), frous (bedrog), furor (woede), divisio (verdeeldheid) en guerra (oorlog). In het midden staat het goede bestuur, die als het goed is een schild is voor de zwakken in de samenleving, met: pax (vrede), fortitudo (kracht), prudentia (behoedzaamheid), magnanimitas (ruimhartigheid), temperantia (gematigdheid) en justitia (justitia).
En daarboven staan geloof, hoop en liefde; zoals de joodse mystiek van Isaac Luria aan het naleven van de halachische voorschriften (de 613 dagelijkse mitswot, geboden en verboden), de Tien geboden of de Noachidische geboden een dimensie toevoegt, zijnde de voorafspiegeling van de Komende Wereld.[1]
Het tweede fresco van Lorenzetti betekent tot op de dag van vandaag, met en zonder extra dimensie, een appèl dat tot navolging oproept.[2]

Op grond van het gehele kunstwerk kun je stellen dat de schilder de wereld afbeeldde hoe deze is én hoe deze zou moeten zijn. Tussen beide wordt je een vorm van bemiddeling gewaar in Barack Obama’s “Yes, we can” en Angela Merkels “Wir schaffen das!”. Die bemiddeling kan worden geoefend in het lege midden (Theo Witvliet), waarin de dialoog plaatsvindt en ratio en emotie, ‘logos’ (wetenschappelijke, eendimensionale waarheid en kennis) en ‘mythos’ (gelaagde, individuele verhalen van een doorleefde waarachtigheid en empathie oproepend) een verbond aangaan. De plaats waar volgens de historicus Philipp Blom (1970), gepromoveerd op de dialogische denker Martin Buber en auteur van onder meer The wars within (Londen 2014), de hoop zetelt.[3]

De herdenkingsdienst voor Geert van der Bom vindt plaats op zaterdag 29 april a.s. om 14.00 uur in de Dorpskerk, Kerkplein 4 in Diepenveen.

Geert van der Bom noch ik zullen erbij hebben stilgestaan over wat de kunsthistorica Jane Bridgeman in 1991 aantoonde. Namelijk dat Lorenzetti’s dansende jongedames mannen zijn. Of zoals Martin Lok in een blog op de website Literair Nederland het omschreef: ‘Ze ontberen bijvoorbeeld de lange haren en borsten waarmee Lorenzetti de andere dames op zijn frescocyclus tooide. Nee, Lorenzetti zette in zijn fresco over de gevolgen van goed bestuur geen jongedames maar mannen centraal en liet hen een symbolische dans uitvoeren ter verheerlijking van het goede bestuur. Omdat alleen mannen kunnen verheerlijken.’


[1]
Vergelijk met: Maria de Groot, Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling (Leeuwarden 2016) waarin onder andere ook wordt uitgegaan van de Tien geboden ten einde om tot een rechtvaardige wereld te geraken.

[2] Voor mij mag hier de titel van een ander boek dialectisch worden ingevuld: Ab Harrewijn, Bijbel, Koran, Grondwet. Gesprekken over godsdienst en politiek (Amsterdam 2002). Vergelijk met een uitspraak in een college van Piet Jonkers, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, ‘De vrijheidsopvatting van Hegel’ (Open Universiteit Nederland, 9 april 2011, Heerlen). En dus aangevuld met een mythische dimensie.

[3] “De leegte die wij hebben heet hoop”, Philipp Blom in een vraaggesprek met Paul Witteman (Buitenhof, 4 december 2016, NPO1). “Optimisme is het geloof dat de wereld bezig is beter te worden; hoop is het geloof dat wij, met elkaar, de wereld beter kunnen maken” (Jonathan Sacks, Een gebroken wereld heel maken. Verantwoordelijk leven in tijden van crisis. Vught 2016, 197).

De lege ruimte

Afgelopen zondag werd in veel kerken ongetwijfeld Jesaja 35:1-10 gelezen, over de woestijn die zich zal verheugen, de dorre vlakte die vrolijk zal zijn en de wildernis die zal jubelen en bloeien. Een tekst die, zoals ds. Jessa van der Vaart in de Amsterdamse Oude Kerk zei, toont ‘hoe de wereld is bedoeld.’

’s Middags bezocht ik het festival ‘De verhalenvertellers’ van Filosofie Magazine in de Amsterdamse Tolhuistuin. Eén van de lezingen die ik bijwoonde, werd gegeven door de hoofdredacteur hiervan, Leon Heuts, bij wie ik in 2014 een filosofieweek bij de ISVW in Leusden volgde (zie elders op deze website).
Hij hield een mooie inleiding over de begrippen ‘logos’ en ‘mythos.’ Zoekend en tastend nam hij ons mee naar een vergezicht als in Jesaja. Hij noemde dit de ‘lege ruimte’ en nam als voorbeeld wat volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman de bemiddeling is tussen hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn met de woorden van Angela Merkel: ‘Wir schaffen das!’, later in de middag aangevuld met ‘Yes we can!’ van Barack Obama.

Voor mijn geestesoog verschenen twee fresco’s van Ambrogio Lorenzetti (ca. 1290-1348) in het Palazzo Pubblico in Siena die een uitweg bieden tussen ‘logos’ en ‘mythos’, die tonen hoe de wereld is en bedoeld is, die kunnen bemiddelen tussen filosofie en verhaal:

Aan de ene kant is een slecht bestuur dat tot kwaad leidt verbeeld: crudelitas (wreedheid), proditio (verraad), frous (bedrog), furor (woede), divisio (verdeeldheid) en guerra (oorlog). In het midden staat het goede bestuur, die als het goed is een schild is voor de zwakken in de samenleving, met: pax (vrede), fortitudo (kracht), prudentia (behoedzaamheid), magnanimitas (ruimhartigheid), temperantia (gematigdheid) en justitia (justitia). En daarboven staan geloof, hoop en liefde.
Het tweede fresco van Lorenzetti  betekent tot op de dag van vandaag, met en zonder extra dimensie, een appèl dat tot navolging oproept.[2]

Op grond van het gehele kunstwerk kun je stellen dat de schilder de wereld afbeeldde hoe deze is én hoe deze zou moeten zijn. Dat laatste kan worden geoefend in het wat Heuts de ‘lege ruimte’ noemde en Theo Witvliet het ‘ lege midden’, de plaats (makom) waar de dialoog plaatsvindt en ratio en emotie een verbond aangaan. De plaats waar volgens de historicus Philipp Blom (1970), gepromoveerd op de dialogische denker Martin Buber en auteur van onder meer The wars within (Londen 2014), de hoop zetelt.[3]

[1] Zie: Marc-Alain Ouaknin, De 10 geboden (Vught 2016), waarin het begrip ‘interpretatie’ centraal staat.

[2] Voor mij mag hier de titel van een ander boek dialectisch worden ingevuld: Ab Harrewijn, Bijbel, Koran, Grondwet. Gesprekken over godsdienst en politiek (Amsterdam 2002). Vergelijk met een uitspraak in een college van Piet Jonkers, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, ‘De vrijheidsopvatting van Hegel’ (Open Universiteit Nederland, 9 april 2011, Heerlen). En dus aangevuld met een mythische dimensie.

[3] “De leegte die wij hebben heet hoop”, Philipp Blom in een vraaggesprek met Paul Witteman (Buitenhof, 4 december 2016, NPO1).

Voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Eli Content_The creation of manMomenteel ben ik het boek Reflecties. 25 kunstwerken en 24 filosofen van Onno Zijlstra en Wensy Janssen aan het lezen. Het is een originele inleiding in de esthetica, het  onderdeel van de filosofie dat zich bezighoudt met kunst en schoonheid. Telkens gaat één concreet kunstwerk in gesprek met het denken van een bepaalde filosoof. De auteurs hopen dat hun reflecties een aanzet geven tot het zelf bedenken van eigen combinaties tussen een kunstwerk en een filosofie.

Vandaag ben ik aangekomen bij het hoofdstuk ‘Utopie: Content en Marcuse.’ Hierin gaat het kunstwerk The creation of man (zie afb.) in gesprek met ‘de filosoof van de kritische studenten van ‘68’: Herbert Marcuse. Maar de auteurs ontkomen er hier, maar ook elders in het boek niet aan, om ook uit de Bijbel te citeren. In dit geval aan een tekst uit Jesaja:

Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.

Juist op de dag dat ik dit hoofdstuk lees, gaan mijn gedachten terug naar de Bijbelpassage die vanmorgen in de Oude Kerk in Amsterdam werd gelezen (Lucas 14:7-14), en die ongetwijfeld door de aanhangers van de theologie van het socialisme in de jaren ’60 van de vorige eeuw met Marcuse in de hand is uitgelegd:

Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft,
vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren,
in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
Dan zult u gelukkig zijn.

Twee rijtjes van vier: respectievelijk het establishment en de onderkant van de samenleving, waarbij Jezus de partijganger van de tweede groep is. Een sabbatsmaal, een feestmaal als voorsmaak van hoe het zal, en moet zijn. Geworteld in verhalen uit Tenach, zoals die van Jesaja. Het avondmaal is een oefenen daarin, zoals ds. Hans Uytenbogaardt opmerkte.

‘Marcuse’, schrijven Zijlstra en/of Janssen, ‘vindt het nier irreëel op een gelukkige samenleving te hopen. Niet omdat te verwachten is dat een uitgebuite, verarmde arbeidersklasse in opstand zal komen, maar omdat veel mensen walgen van de tegenstelling tussen de geweldige rijkdom [het eerste rijtje van vier, EvS], ook aan kennis en technische middelen, aan de ene kant en aan de andere kant de uitbuiting, honger en armoede in de wereld’ [het tweede rijtje van vier, EvS].

Zijlstra en Janssen schrijven dat we ‘met verbeelding onze wereld kunnen humaniseren. Er is al fantasie voor nodig om in te zien dat al die zaken die ons noodzakelijk lijken dat helemaal niet zijn; we kunnen anders met onze rijkdom omgaan. Om te bedenken hoe is ook weer fantasie nodig.’ Marcuse schijnt in dit verband Schiller bij te zijn gevallen: ‘Wat wij nu als schoonheid zien, zal eens werkelijkheid zijn.’

Soms kan echter niet alleen filosofie en literatuur maar ook de Bijbel helpen ons een beeld van die komende werkelijkheid te vormen. Als voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Carlos Micháns als schrijver

Carlos MichánsAfgelopen tijd heb ik de Morfinetrilogie van Paul Gellings gelezen. Het laatste deel, De jacht op de klaproos, recenseer ik momenteel voor literairnederland.nl. Deze drie romans lezende, viel mij de verwantschap met Baudelaire op. En dat deed me weer denken aan een andere schrijver, voor wie dit ook geldt: de componist/schrijver Carlos Micháns (zie foto). Over hem schreef ik eerder in Mens en melodie (2006, nr. 5/6). Hieronder herneem ik daaruit de gedeelten over zijn literaire werk.

Tijdens het Europees Jaar van de Muziek, 1985, woonde ik een concert bij dat in dat kader werd gegeven door de in Zuid-Amerika geboren coloratuursopraan Marianne Blok. Zij had voor het programmaboekje eigen vertalingen van enkele Spaanstalige liederen gemaakt. Ik heb mij toen suf zitten prakkiseren over enkele daarvan: waren ze volgens een schoolfrikkerige Nederlandse nu gewoon ‘fout’ of juist zó diepzinnig dat ze diepere lagen aanboorden?

Dezelfde vraag kwam weer bij me op toen ik het tweetalige voorwoord van de in eigen beheer uitgegeven Poemas Terminales (Eindgedichten) van Carlos Micháns las: ‘In sommige gevallen (…) heb ik me een zekere maat [vet, vS] van idiomatische vrijheid gepermitteerd.’ Het rode potlood dat de redacteur heeft laten liggen, zal daar onmiddellijk ‘mate’ van willen maken. Maar het is eigenlijk zó kenmerkend voor zowel de gedichten als de composities van de in 1950 in Buenos Aires, Argentinië geboren Micháns, dat de verschrijving boekdelen spreekt.

Niet dat Micháns ‘zijn zaakjes technisch’ niet ‘goed voor elkaar’ zou hebben, zoals ik enkele jaren na het concert van Marianne Blok schreef in een recensie in de Leeuwarder Courant (17 maart 1987) naar aanleiding van mijn eerste kennismaking met een werk van hem, het Concerto per cinque (1986). Maar omdat in zowel de gedichten als de composities van Micháns de inhoud centraal staat en de techniek die schraagt.
Een inhoud die evolueerde van het vertellen van een verhaal en een sterk beeldende wijze van uitdrukken, tot een grote abstractie waarin het verhaal en het beeldende door althans de componist niet meer worden toegelaten.

Gedichten
Een fraai voorbeeld van die ontwikkeling treffen we aan in twee gedichten(bundels): ‘Fragmento de fotografía (Fragment van een fotografie)’ uit Poemas Terminales en ‘El solitario (De eenling)’ uit Nuevos Abismos (y otros poemas) (Nieuwe Afgronden (en andere gedichten)). Beide gedichten gaan over een arm. In de eerste bundel is het een arm met een opgerolde witte mouw, een palm en dichtgeknepen vingers. Het is onduidelijk of het de arm van een man of een vrouw betreft.

Alto! dice el brazo, no
Halt! roept uit de arm, nee

In de tweede bundel gaat het ook over een arm zonder lichaam. Maar hier roept de stijve arm associaties op met een hopeloze fallus. Er bestaat een vermoeden van

a medias olvidado,
de algún asesinato
sin arma ni cadáver.

een halfvergeten gruwel,
een of andere moord
zonder geweer noch lijk.

Ik stel me zo voor, dat het bij een bundel verder alleen om een arm zal gaan die omhoog steekt als in de enscenering van een toneelstuk van Samuel Beckett. Net als de steeds verder abstraherende boom bij Mondriaan: Boom II, De grijze boom en Bloeiende appelboom (1912).
De vergelijking gaat ook op wat betreft Micháns eigen tekeningen in het boek Het Regent Rood in Buenos Aires (2005): die uit 1992 zijn aanmerkelijk barokker dan die uit 2002. Het rood slaat tussen twee haakjes op verwelkte rozen en het gestolde bloed van een arm als uit de genoemde gedichten, een arm die symbool staat voor het generaalsbewind in Argentinië – een beeld om nooit te vergeten.

Literatuur
Primair het rood van een zonsondergang op een Frans impressionistisch schilderij, maar met de donkere ondertoon en broeierige sfeer als in de gedichten van een Charles Baudelaire.
Sterker nog, de thema’s en opbouw van Micháns roman Madurai, Madurai (1999) vertonen een opmerkelijke overeenkomst met Les fleurs du mal (1857) van Baudelaire. De trap bijvoorbeeld waarlangs de ziel bij Baudelaire in de afgrond verdwijnt, is verwant aan de functie van de trap die de vijver met de wonderlijke lotussen waar zoveel mensen in vast kwamen zitten bij Micháns. Zelfs de vleermuis komt zowel bij Baudelaire (nr. 78: ‘Spleen’) als Micháns (p. 129-130) voor! Wat bij Baudelaire voorts de dood is (‘La mort’), is bij Micháns een hartaanval (p. 167). Beiden vinden de schoonheid in het lelijke, zoals Micháns in homo-erotische zin bij een man die bijna een kwart van zijn gebit mist (p. 146). Of zoals hij dicht:

slechts twee: van schrik de ene,
de andere van smacht.

En zo beschrijft hij Buenos Aires, de ‘even monsterlijke als fascinerende metropool.’

Composities op eigen tekst
Het is interessant te kunnen constateren dat in de werken die Micháns min of meer parallel aan zijn boeken schreef en die in enkele gevallen op eigen teksten zijn gebaseerd, in samengebalde vorm de hiervoor genoemde thema’s terugkomen.
Neem de Spaanse tekst van het laatste gebed van de Tres Plegarias (Drie gebeden) (1999) voor gemengd koor en 12 blazers die eindigt met een strofe waarin weer een arm voorkomt, maar dan wel een heel andere als in genoemde gedichten(bundels):

Kom, Heer,
rust op mijn arm.
Wees mijn valk en ook mijn prooi.
Ik ben Uw pijl, God.
U, mijn doelwit.

Een originele en tegendraadse tekst, waarvan de pijl weliswaar aan een bijbeltekst doet denken (Jesaja 49:2), maar evenzeer aan Cupido, die overigens voeten als de klauwen van een valk had. Zou de God waarop een pijl wordt gericht een verliefde Man of een dwaze Man zijn? Schrik of smacht?

Was Petr Eben een joodse componist?

Dick BoerVandaag wordt de theoloog Dick Boer (afb.) 75 jaar. Ik heb hem gedurende korte tijd opgevolgd als bestuurder van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE), en heb hem meegemaakt in de redactie van Quadraatschrift, waar ik fijne herinneringen aan bewaar. Vanmiddag vond t.g.v. Boers verjaardag een mini-symposium plaats over het Bijbelboek Job. Dick Boer heeft zich hier de laatste jaren intensief mee beziggehouden. Onder andere in Ophef van april jl. De kop van het betreffende artikel luidt: ‘Was Bonhoeffer een joodse denker?’ Ik gebruik dat artikel hier als spiegel voor deze blog. Inclusief (stijl)citaten. En zoals Boer zijn bijdrage opdroeg aan de 60-jarige Andreas Pangritz, zo doe ik dat met deze blog: op de 75-jarige!

De vraag
Al lang houd ik mij bezig met de vraag naar de invloed van joodse muziek op niet-joodse componisten. Of beter gezegd: de vraag is bezig met mij. Eén van de voorbeelden die ik tegenkwam, is de Tsjechische componist en organist Petr Eben (1929-2007), weliswaar niet zoals Bonhoeffer in de Tweede Wereldoorlog vermoord, maar wel een overlevende van Buchenwald. Daarbij schiet je onwillekeurig een uitspraak van Bonhoeffer binnen: ‘Wie het niet voor de joden opneemt, heeft niet het recht gregoriaanse gezangen te zingen.’ Dát is de toestand waarin Eben zich bevond: hij wilde in de wereld de NAAM trouw blijven en deze uitdrukken in zijn muziek. Zou hij daarmee, als uitgesproken rooms-katholiek componist, dus ook ‘joods’ hebben gedacht?

Credo
Een oeroude midrasj bij Jesaja 43:10 zegt: ‘Als jullie mijn getuigen zijn, dan ben ik God. Maar als jullie mijn getuigen niet zijn, dan ben ik niet God.’ Eben heeft van dit ‘credo’ getuigd in zijn muziek, als ‘een voorbeeldige man Gods’ (Pinchas Lapide), een jood zou je kunnen zeggen – niet ‘naar het vlees’ maar wel degelijk in de geest. Eén van de stukken waarin hij zijn getuigenis aflegde is – niet toevallig in deze context – zijn Hiob voor orgel en spreekstem (1987). Of moet je zeggen: hij tendeert náár de joodse muziek, met – gelijk Bonhoeffer verwoordt – inbegrip van het gregoriaans? Alleen al door in zijn muziek dit inzicht te beamen.

Project
Eben beschouwde zichzelf, prijsdrager van de Kunst- und Kulturpreis der deutschen Katholiken als rooms-katholiek componist. Hij heeft het onderscheid tussen joodse en christelijke muziek niet opgeheven maar verondersteld. Joden en christenen gaan beide gelijk Job ‘in hun nood tot God’ (Bonhoeffer). Bonhoeffer kon het Nieuwe Testament ‘joods’ lezen, omdat het Nieuwe Testament joods is. Eben kon gregoriaanse muziek ‘joods’ horen en verklanken, omdat het – als het goed wordt uitgevoerd – ten diepste joods is.
Bonhoeffer en Eben waren als christenen onopgeefbaar verbonden met de joden. We mogen aannemen dat Paulus zich de gemeente uit de joden en de gojiem zo heeft voorgesteld: als de meest intensieve vorm van alliantie.

Met dank aan Jan Kok, die mij wees op het artikel van Dick Boer in Ophef en onderstaande informatie verschafte:
In Ophef 2014/4 (Godverlatenheid en Utopie) zijn de inleidingen verschenen die op 10 oktober in de Amsterdamse Thomaskerk t.g.v. de verjaardag van Dick Boer zijn gehouden. En bij uitgeverij Narratio, ook uitgever van Ophef, zal een boekje over Dick Boer verschijnen. 

Links
http://www.youtube.com/watch?v=Wrcj_fbnKV0
http://www.vtm-web.nl/ophef
http://www.boekwinkeltjes.nl/uitgebreid_zoeken.php?schrijver=van+swol&titel=dialoog&overig=&tweedehands=1&nieuw=1