Carlos Micháns als schrijver

Carlos MichánsAfgelopen tijd heb ik de Morfinetrilogie van Paul Gellings gelezen. Het laatste deel, De jacht op de klaproos, recenseer ik momenteel voor literairnederland.nl. Deze drie romans lezende, viel mij de verwantschap met Baudelaire op. En dat deed me weer denken aan een andere schrijver, voor wie dit ook geldt: de componist/schrijver Carlos Micháns (zie foto). Over hem schreef ik eerder in Mens en melodie (2006, nr. 5/6). Hieronder herneem ik daaruit de gedeelten over zijn literaire werk.

Tijdens het Europees Jaar van de Muziek, 1985, woonde ik een concert bij dat in dat kader werd gegeven door de in Zuid-Amerika geboren coloratuursopraan Marianne Blok. Zij had voor het programmaboekje eigen vertalingen van enkele Spaanstalige liederen gemaakt. Ik heb mij toen suf zitten prakkiseren over enkele daarvan: waren ze volgens een schoolfrikkerige Nederlandse nu gewoon ‘fout’ of juist zó diepzinnig dat ze diepere lagen aanboorden?

Dezelfde vraag kwam weer bij me op toen ik het tweetalige voorwoord van de in eigen beheer uitgegeven Poemas Terminales (Eindgedichten) van Carlos Micháns las: ‘In sommige gevallen (…) heb ik me een zekere maat [vet, vS] van idiomatische vrijheid gepermitteerd.’ Het rode potlood dat de redacteur heeft laten liggen, zal daar onmiddellijk ‘mate’ van willen maken. Maar het is eigenlijk zó kenmerkend voor zowel de gedichten als de composities van de in 1950 in Buenos Aires, Argentinië geboren Micháns, dat de verschrijving boekdelen spreekt.

Niet dat Micháns ‘zijn zaakjes technisch’ niet ‘goed voor elkaar’ zou hebben, zoals ik enkele jaren na het concert van Marianne Blok schreef in een recensie in de Leeuwarder Courant (17 maart 1987) naar aanleiding van mijn eerste kennismaking met een werk van hem, het Concerto per cinque (1986). Maar omdat in zowel de gedichten als de composities van Micháns de inhoud centraal staat en de techniek die schraagt.
Een inhoud die evolueerde van het vertellen van een verhaal en een sterk beeldende wijze van uitdrukken, tot een grote abstractie waarin het verhaal en het beeldende door althans de componist niet meer worden toegelaten.

Gedichten
Een fraai voorbeeld van die ontwikkeling treffen we aan in twee gedichten(bundels): ‘Fragmento de fotografía (Fragment van een fotografie)’ uit Poemas Terminales en ‘El solitario (De eenling)’ uit Nuevos Abismos (y otros poemas) (Nieuwe Afgronden (en andere gedichten)). Beide gedichten gaan over een arm. In de eerste bundel is het een arm met een opgerolde witte mouw, een palm en dichtgeknepen vingers. Het is onduidelijk of het de arm van een man of een vrouw betreft.

Alto! dice el brazo, no
Halt! roept uit de arm, nee

In de tweede bundel gaat het ook over een arm zonder lichaam. Maar hier roept de stijve arm associaties op met een hopeloze fallus. Er bestaat een vermoeden van

a medias olvidado,
de algún asesinato
sin arma ni cadáver.

een halfvergeten gruwel,
een of andere moord
zonder geweer noch lijk.

Ik stel me zo voor, dat het bij een bundel verder alleen om een arm zal gaan die omhoog steekt als in de enscenering van een toneelstuk van Samuel Beckett. Net als de steeds verder abstraherende boom bij Mondriaan: Boom II, De grijze boom en Bloeiende appelboom (1912).
De vergelijking gaat ook op wat betreft Micháns eigen tekeningen in het boek Het Regent Rood in Buenos Aires (2005): die uit 1992 zijn aanmerkelijk barokker dan die uit 2002. Het rood slaat tussen twee haakjes op verwelkte rozen en het gestolde bloed van een arm als uit de genoemde gedichten, een arm die symbool staat voor het generaalsbewind in Argentinië – een beeld om nooit te vergeten.

Literatuur
Primair het rood van een zonsondergang op een Frans impressionistisch schilderij, maar met de donkere ondertoon en broeierige sfeer als in de gedichten van een Charles Baudelaire.
Sterker nog, de thema’s en opbouw van Micháns roman Madurai, Madurai (1999) vertonen een opmerkelijke overeenkomst met Les fleurs du mal (1857) van Baudelaire. De trap bijvoorbeeld waarlangs de ziel bij Baudelaire in de afgrond verdwijnt, is verwant aan de functie van de trap die de vijver met de wonderlijke lotussen waar zoveel mensen in vast kwamen zitten bij Micháns. Zelfs de vleermuis komt zowel bij Baudelaire (nr. 78: ‘Spleen’) als Micháns (p. 129-130) voor! Wat bij Baudelaire voorts de dood is (‘La mort’), is bij Micháns een hartaanval (p. 167). Beiden vinden de schoonheid in het lelijke, zoals Micháns in homo-erotische zin bij een man die bijna een kwart van zijn gebit mist (p. 146). Of zoals hij dicht:

slechts twee: van schrik de ene,
de andere van smacht.

En zo beschrijft hij Buenos Aires, de ‘even monsterlijke als fascinerende metropool.’

Composities op eigen tekst
Het is interessant te kunnen constateren dat in de werken die Micháns min of meer parallel aan zijn boeken schreef en die in enkele gevallen op eigen teksten zijn gebaseerd, in samengebalde vorm de hiervoor genoemde thema’s terugkomen.
Neem de Spaanse tekst van het laatste gebed van de Tres Plegarias (Drie gebeden) (1999) voor gemengd koor en 12 blazers die eindigt met een strofe waarin weer een arm voorkomt, maar dan wel een heel andere als in genoemde gedichten(bundels):

Kom, Heer,
rust op mijn arm.
Wees mijn valk en ook mijn prooi.
Ik ben Uw pijl, God.
U, mijn doelwit.

Een originele en tegendraadse tekst, waarvan de pijl weliswaar aan een bijbeltekst doet denken (Jesaja 49:2), maar evenzeer aan Cupido, die overigens voeten als de klauwen van een valk had. Zou de God waarop een pijl wordt gericht een verliefde Man of een dwaze Man zijn? Schrik of smacht?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.