Tweeluik: Stijn Fens en Herman De Dijn

Dit keer – het wordt weer eens tijd – geen drieluik, maar een tweeluik; het is allemaal wat minder tijdens de coronacrisis.
In Trouw van afgelopen zaterdag stonden twee stukken naast elkaar die diametraal tegenóver elkaar staan: een column van Stijn Fens over gebarentaal tijdens de paaswake uit Roermond, en een interview van Leonie Breebaart met Herman De Dijn, emeritus hoogleraar filosofie in Leuven en gewaardeerd inleider tijdens de jaarlijkse lezingen van de Vereniging Het Spinozahuis in Amsterdam, waar ik een keer met hem aan de praat raakte. In 2018 schreef hij een boek onder de titel Rituelen. Beiden zijn rooms-katholiek, maar de een geeft blijk van een wat nauwere blik (Fens) dan de ander (De Dijn).

Stijn Fens
Fens vond het om te beginnen voor doven en slechthorenden nu ‘in zekere zin een genadevolle tijd’ en ‘een zegen’ dat gebarentolken op televisie verschijnen. Ik zou zeggen: eindelijk verschijnen, want daar hebben dove- en slechthorende mensen in een inclusieve samenleving gewoon recht op.
Fens doet vooral zijn beklag: ‘het is zo druk in beeld geworden’, ‘een mis op zich’, ‘wat veel allemaal’, ‘een onrustige ervaring’ wordt ons achter elkaar ingeprent.
Het is nog niet alles, want tegen het eind tovert hij nog een argument uit de hoge hoed: door die gebaren ‘verdwijnt voor mij het mysterie’ van het ritueel. Er wordt tevéél uitgelegd.

Nu was ik in live (protestantse) kerkdiensten al op gezette tijden een gebarentolk gewend. Ik kijk er altijd gefascineerd naar. Neem bijvoorbeeld het woord ‘Geloven’. Dat bestaat eruit, de rechterwijsvinger naar de slaap te brengen en daarna omhoog te bewegen. Show don’t tell, zou ik in tegenstelling tot Fens haast zeggen.

Herman De Dijn
Tegenover Fens’ column staat als gezegd een mooi interview met Herman De Dijn. Hij benadrukt om te beginnen dat rituelen ‘ongelooflijk belangrijk voor ons zijn, terwijl ze eigenlijk zo vreemd zijn’. Daarin kan hij denk ik Fens vinden; ze zijn, legt hij uit, ‘niet-rationeel’. Het gaat, vervolgt hij, ‘om speciale gebaren en speciale spijzen’. Gebaren …
Als ‘een dans, een opvoering’, zoals ‘onze’ gebarentolk haast danst wanneer er een psalm, gezang of lied wordt gezongen. Ik zei het al: fascinerend om te zien. En voor mij absoluut geen afleidend gebeuren, maar iets dat iets toevoegt aan de gesproken taal of zang.
De Dijn denkt verder en verwijst naar de werveldans van de derwisjen en de Ramadan: ‘buigen, bidden, knielen’. De hele mens is op die manier bezig: met lichaam en geest.
‘Méns-zijn’, zegt De Dijn aan het slot van het interview, ‘betekent: weten wat juist en niet juist is, wat gepast en wat niet’.

Fens wist dat laatste even niet; zijn column was ongepast.

Column Stijn Fens:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/de-gebarentolk-bij-de-tv-mis-het-is-wennen~bac9c8ae/

Interview met Herman De Dijn:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/we-zijn-rituele-wezens-maar-in-deze-crisis-kan-dat-bijna-niet~bb473f742/

 

In dialoog met Rudolf Boon

Het was goed in gesprek gaan met Rudolf Boon, die ons op 7 april jl. is ontvallen. Als voorbidder in de Oude Kerk van Amsterdam heb ik van hem geleerd mij voorzichtig uit te spreken wanneer het over Israël gaat. Maar het was ook goed met hem in gesprek gaan. N.a.v. een artikel van zijn hand over herbezinning m.b.t. de relatie bijbel-kerk-moderne kunst schreef ik een naschrift (in: Quadraatschrift, november 1998). Hier plaats ik het ingekort ter nagedachtenis aan de emeritus predikant en bijzonder hoogleraar liturgiewetenschap aan de Vrije Universiteit. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Enkele jaren geleden stak René Venema eens tijdens een vergadering van wat toen nog kerkenraadscommissie Tenach en Evangelie heette, de loftrompet over ds. Van Reijendam-Beek. Zij had zich in een lezing voor een voornamelijk seculier publiek op indrukwekkende wijze gekeerd tegen de zondagopenstelling van winkels in Amsterdam. Indrukwekkend, aldus ds. Venema omdat zij dit had gedaan op grond van louter wereldlijke argumenten. Maar zó, dat daaronder onmiskenbaar het gedachtegoed van Tenach en Evangelie mee vibreerde.

Georg TraklHetzelfde is naar mijn idee aan de hand met de compositie Schweigsam über der Schadelstätte öffnen sich Gottes goldene Augen van componist en dirigent Huub Kerstens op tekst van de door Rudolf Boon genoemde dichter Georg Trakl (zie afb.), die in de Oude Kerk evenzeer voor een ‘overwegend secularistisch publiek’ (Boon) werd uitgevoerd.

Zowel het gedicht als het muziekstuk kennen eenzelfde structuur van twee lagen als het betoog van ds. Van Reijendam kenmerkte. Ik beperk mij hier tot het gedicht.

Rob van Erkelens heeft zich in zijn keuze van en commentaren op Trakls poëzie (uitg. Ambo, 1990) in soortgelijke bewoordingen uitgelaten. Trakls gedichten hebben een duidelijk christelijke ondertoon. De litanie of het gebed, zoals Van Erkelens het karakter van het door prof. Boon gewraakte, aan de joodse schrijver Karl Kraus opgedragen gedicht omschrijft, ontstond in 1912 en verscheen in het christelijk-existentialistische Der Brenner. 1) Trakl ‘is niet de dichter van de verlossing, maar van dat wat verlost moet worden’, aldus Rob van Erkelens (p. 25). In wezen is zijn poëzie verwant aan de Loeriaanse mystiek van de goddelijke vonken van de Sjechinah (= goddelijke aanwezigheid) die op aarde terecht zijn gekomen. Trakls gedicht is een “terugblik op de toekomst”, om de titel van een gedicht van Marcus van Loopik te parafraseren. Of zoals in Gezang 292:1 van Isaac da Costa, dat boven de rouwadvertentie n.a.v. het overlijden van Rudolf Boon stond:

Wegen Gods, hoe duister zijt gij,
maar w’omvleugelen ons het hoofd
voor ‘t verblindend licht der toekomst,
die ‘t verrukte hart gelooft!

1) ‘De “psalm” (?) van Trakl bleek een troebel mengsel te zijn van Helleens en Teutoons paganisme, product van dweperig Duits romanticisme, vermoedelijk uit het begin van de 20e eeuw’.