Explain

Toroni_InterventionHirst_Spot painting

 

 

 

 

 

Laten we er een queeste van maken: hoe zou je als niet-ingevoerde in de hedendaagse kunst reageren op de werken die Rudi Fuchs koos voor ‘zijn’ tentoonstelling Opwinding in het Amsterdamse Stedelijk Museum (nog t/m 2 oktober a.s.)? Met een roep om ‘Explain’, zoals één van de tachtig dia’s onder de titel 16th century van Robert Barry heet.

Het is geen gemakkelijke tentoonstelling, want er wordt louter een beroep gedaan op kijken, kijken en nog eens kijken. Zonder titelbordjes bij de werken. Die vind je terug op de website van het Stedelijk. Het is ook geen gemakzuchtige tentoonstelling. De ‘stippen’ op Damien Hirsts Spot painting (1993, afb. links) vind je bij wijze van spreken terug op Invention (1987, afb. recht) van Niele Toroni – maar dan anders. Fuchs heeft ervoor gewaakt ze bij elkaar te hangen. Maar ze gaan wél met elkaar in gesprek, over de zalen heen, in het visuele geheugen van de bezoeker van deze stil makende expositie.

Nee, Toroni’s met een nr. 50-penseel gezette stippen op regelmatige afstand van dertig centimeter gaat op een veel subtieler manier in dialoog met Carl Andres Palisade (1976) van hout. Blokken hout  van – lees het maar na in een essay van Fuchs op de website van het Stedelijk – dertig bij dertig centimeter die aan elkaar gelijk zijn, zoals de stippen, maar ook weer niet. Je hoeft het niet eens (na) te lezen, je voelt het gewoon aan.

Het is typerend voor Fuchs, net als het feit dat je aan het begin van de tentoonstelling de Rotgruppe. Zwischen Grün und Dunkelviolett (1956) van Richard Paul Lohse aantreft, en aan het eind het broertje of zusje ervan: Phi Painting (2016) van Steven Aalders. Ze markeren met een beetje fantasie als het ware de periode waarin Fuchs directeur was van het Van Abbemuseum in Eindhoven, het Gemeentemuseum in Den Haag en het Stedelijk Museum.

Toch zijn er ook die typisch formele overeenkomsten van werken die wél naast elkaar hangen c.q. staan, zoals de hartvorm in Thomas Scheibitz’ Ohne Titel (2000) en Tracey Emins I promise to love you (2007). Of inhoudelijk. Bij Kounellis’ Zonder titel (2011) en Hamish Fultons Mount Thor (1976) is sprake van een reis. Respectievelijk per trein (rails op doek) en per voet in Canada (zwart-witfoto). Je mag ze het zelf verder invullen, en daartoe staan uitnodigend prachtige stoelen van Donald Judd klaar. Over alles is nagedacht.

Er wordt natuurlijk ook teruggegrepen op de kunstgeschiedenis zelf. Domenica Bianchi, een vertegenwoordiger van de Arte Povera deed het in een prachtig, titelloos werk uit 1992, waarin wordt gespeeld met de bollen, kegels en vierkanten van het kubisme. En doorheen slingert een oplichtende, haast middeleeuwse banderol.

Het mag dan bij deze keuze primair om kijken, kijken en nog eens kijken gaan – maar behalve de ratio doet ook zeker het gevoel van zich spreken. Neem Arnulf Rainers Haufen (1974-’75) waarop voetafdrukken in het rode zand staan afgebeeld. Drukt het de hoop uit dat de bebloede aarde eens vertrapt zal zijn? Of neem Anselm Kiefers Fallender Engel (1979). Ook door bloed verzengde aarde met een verduisterde zon. Hier lijkt alle hoop geweken, of toch niet?

Zit de hoop niet in het hart van Torquato Tasso (1976) van A.R. Penck? Goethe maakte een theaterstuk dat naar hem is genoemd. En laten nu tijdens de tentoonstelling fragmenten uit diens Faust worden gelezen. In verschillende talen, door verschillende auteurs. Het kan geen toeval zijn en slaat niet alleen op het feit dat Goethe dit werk later weer oppakte, zoals Fuchs deze expositie na zijn pensioen vorm gaf. Maar het is ook iets dat een toevoeging betekent aan de visuele indrukken van deze ronduit schitterende tentoonstelling.

http://stedelijk.nl/tentoonstellingen/opwinding

Drieluik uit Leusden (II)

Redon_Art céleste1. Redon en Von Eichendorff
Er is een mooie litho van Odilon Redon: L’art céleste (1894, zie afb.), waarvan een afbeelding lang bij mij in de gang heeft gehangen. Links zeilt een engel met een vedel en een middeleeuwse banderol door de lucht. Rechts luistert een groot, haast transparant hoofd – zonder oren! – toe. Alles samen ademt ‘de glans van het transcendente’ (Peter Sloterdijk) en doet denken aan een gedicht van Joseph von Eichensdorff:

Es war, als hätt’ der Himmel
die Erde still geküsst.

2. De idioot
Op één of andere manier doen de litho en het gedicht mij denken aan De idioot van Dostojevsky, op de manier zoals dat boek de afgelopen week door Leon Heuts werd behandeld tijdens een studieweek bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De idioot is volgens dezelfde Peter Sloterdijk weliswaar een engel, maar dan zonder de glans van het transcendente. Het is ‘een groot kind, dat nooit geleerd heeft oog te hebben voor zijn eigen voordeel.’ Hij wil de hemel op aarde brengen, maar de wereld kan het niet accepteren.

Het grote kind heeft moeite om uit zijn woorden te komen. Het kan niet de juiste woorden vinden voor een zonsondergang, een grassprietje, ogen die je aankijken. Als hij, volgens Heuts, de woorden er wél voor zou hebben gehad, dan was hij een schuldig kind, zoals de hoofdpersoon in Die Blechtrommel van Günter Grass, die is opgehouden te spreken en alleen nog maar trommelt.

3. Wolfgang Rihm
Op de in de vorige ‘Drieluik’ genoemde cd met Lieder van de Duitse componist Wolfgang Rihm, staan twee composities die dit ‘literaire inzicht’ lijken te verklanken: Zwei Stücke für Gesang (stumm) und Klavier (2007) onder de titel ‘Wortlos’, en het ad libitum waarmee de componist zijn Wölfli-Liederbuch (1980-’81) afsluit: een duet voor twee grote trommen.

Wortlos is geen Lieder ohne Worte, maar bestaat uit twee aan Rihms vriend Peter Sloterdijk opgedragen korte stukken waarin de zanger zich een tekst van de filosoof te binnen moet zingen, moet internaliseren. Zoals Michael Kohlhaas in het gelijknamige boek van Von Kleist, dat Leon Heuts ook behandelde, op het eind een amulet inslikt. Of – om dichter bij huis te blijven – zoals de leden van het strijkkwartet in Luigi Nono’s Fragmente-Stille, an Diotima (1979-1980) een in de partituur opgenomen tekst van Hölderlin innerlijk moeten zingen. Welke tekst, is bij Rihm echter niet aangegeven. Maar ik kan me zomaar voorstellen, dat het de tekst over Dostojevsky uit Du mußt dein Leben ändern is.

Wölffi is, zoals bekend, een Zwitserse ‘idioot’ (1864-1930), die fascinerende tekeningen en teksten maakte. Maar op het eind van Rihms Wölffi-Liederbuch is hij, net als Dostojevsky’s idioot en de kop op de litho van Redon, sprakeloos. Over in-zicht gesproken …

http://www.youtube.com/watch?v=VxgBZy9naLg