Een ‘bucklicht Männlein’

Das undatierte Archivbild zeigt den deutschen Schriftsteller Thomas Mann. Der "größte deutsche Epiker des 20. Jahrhunderts" wurde vor 125 Jahren, am 06.06.1875 in Lübeck geboren. Schon sein erster Roman "Buddenbrooks" (1901) machte ihn weltberühmt. Weitere wichtige Werke sind "Tod in Venedig" (1912), "Der Zauberberg" (1924) und "Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull" (1954). 1929 wurde er mit dem Literatur-Nobelpreis ausgezeichnet. Als Kritiker der Nationalsozialisten emigrierte er 1933 in die Schweiz, später in die USA, wo er 1944 die amerikanische Staatsbürgerschaft erhielt. dpa (nur s/w; zu dpa Themenpaket "Thomas Mann" am 29.05.2000)Walter Benjamin

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (februari 2016) staat een ‘Historisch profiel’ van Walter Benjamin (1892-1940, foto rechts). Hierin citeert de auteur, Martin de Haan, een veel door Benjamin geciteerde omschrijving over een ‘bucklicht Männlein’ uit Des Knaben Wunderhorn. Het gebochelde mannetje dat voor pech in ons leven zorgt. Hij brengt dit, met Hannah Arendt, die het eerder deed, in verband met de vraag of Benjamin zelf niet aanstuurde ‘op zijn eigen pech, om maar niet nuttig te hoeven zijn?’ Naar aanleiding hiervan neem ik hieronder een eerder in Wervelingen gepubliceerde column (herfst 2008) over, waarin het mannetje ook figureert.

Onlangs las ik dat de schrijver Thomas Mann (foto links) iedereen die in zijn buurt kwam alleen maar bekeek met de ogen van een schrijver op zoek naar personages. Of dat hem helemaal recht doet (zie die fijnzinnige versie die Georg Lukács over hem geeft in Sunschrift 92) waag ik te betwijfelen, maar de rugpatiënten die Mann in zijn roman De Buddenbrooks ten tonele voert, lijken in eerste instantie meer tot op de spits gedreven karikaturen dan geloofwaardige personages. Of grotesken die we ook uit de beeldende kunst kennen, zoals de kleine mensen in Dr. Faustus.

Daar gaan we dan. Makelaar Sigismund Gosch ‘betreurde oprecht geen bochelaar te zijn’ (Buddenbrooks, p. 145). Gosch, een vrijgezel, was uiterlijk ‘een boosaardige, gemene, interessante en vreeswekkende karakterfiguur’ maar innerlijk eerlijk en goedmoedig. Een dialectiek die we tussen twee haakjes ook tegenkomen bij de zieke, stervende moeder in Die Betrogene.
En dan is er de bekende Sesemi Weichbrodt, die een pension had waarin zij adolescenten opleidde. Zij is naar de werkelijkheid getekend, en hád een kromme rug. Behalve vrijgezel was ze in de roman boosaardig en gemeen.
Vervolgens komt Johannes Buddenbrook, Hanno, ten tonele. Het jongetje dat droomt van het gebochelde mannetje uit Des Knaben Wunderhorn dat een beetje griezelig is (ook hij), slechte dingen uithaalt en tenslotte vraagt of men hem in gebed wil gedenken (p. 375).
Om nog maar te zwijgen van de jongste bediende van het kantoor van Thomas Buddenbrook, ook al zo krom als een hoepel en schuw als wat.
Tenslotte is er de organist van de Marienkirche in Lübeck, Edmund Pfühl, die – het valt te raden – op z’n minst ‘wat hoge schouders’ heeft.

In de roman van Thomas Mann lopen dus aardig wat mensen met een min of meer kromme rug rond. Misschien omdat er, als realiteitswaarde, in die tijd, begin 20ste eeuw, nog niet veel aan kon worden gedaan. Maar vooral, lijkt het, als symbool van het decadente, het burgerlijke. Mann wilde dit tegenover het intellectuele plaatsen. En dan staan – vrij naar de eerder genoemde Georg Lukács – ‘verminkte (…) persoonlijkheden’ (Sunschrift, p. 20) tegenover ‘estheties (…) aantrekkelijken’ (p. 22).

Maar aan het voorkomen van Sesemi Weichbrodt geeft Thomas Mann aan het eind van zijn boek een aparte draai: ‘Toen echter kwam Sesemi Weichbrodt aan tafel overeind, zo hoog ze maar kon. Ze ging op haar tenen staan, rekte haar hals uit, klopte op het tafelblad, en de muts trilde op haar hoofd. ‘Het is zo!’ zei ze met al haar kracht en keek iedereen uitdagend aan.
Daar stond ze, triomferend in de goede strijd die ze haar hele leven lang tegen de verzoekingen van haar leraressenverstand had gevoerd, gebocheld, nietig en bevend van overtuiging, een kleine, straffende, geestdriftige profetes’ (p. 616).

En zo geeft Mann aan Weichbrodt het profetische elan mee ‘zoals aan het slot van duistere Shakespeare-tragedies een Richmond of een Edgar naar voren komt die aanduidt dat het niet de wereld is die is vergaan maar slechts een bepaalde maatschappelijke wereld en dat die zal worden opgevolgd door een nieuwe, betere wereld’ (Lukács, p. 183).
Thomas Mann zegt zo via Weichbrodt, die het laatste woord heeft, dat het decadente voorbij gaat en er hoop is op een betere toekomst. Even heeft, en geeft, zij zicht op een wereld zonder pijn en narigheid.

Literatuur:
Thomas Mann: De Buddenbrooks. Vert. Thomas Graft. Uitg. De Arbeiderspers, 2006 (Modern Klassiek)
Georg Lukács: Thomas Mann. Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1975 (Marxisme en kultuur)
Martin de Haan: Walter Benjamin: al het nuttige is betekenisloos, Filosofie Magazine 24 (2016) nr. 2 (febr.) 54-60.

Hamlet

Hamlet_NNTWe schrijven woensdag 25 augustus 1993. Er is naar mijn smaak die avond niets op de televisie dat de moeite waard is, dus zap ik uit armoede weg naar een opvoering van Hamlet van Shakespeare. Opgenomen in het Raadhuis van architect Dudok in Hilversum. In een regie van de Vlaming Dirk Tanghe.
Alweer 20 jaar geleden, maar deze opvoering staat in mijn geheugen gegrift als zag ik haar gisteren; ik zat ademloos aan de buis gekluisterd, overweldigd door zoveel moois. Op die avond werd een grenzeloze liefde voor Shakespeare geboren die tot op de dag van vandaag levend is. Volgens een plagerige vriendin ga ik nog eens op Shakespeare afstuderen …
Er wordt me vaak gevraagd: wat heb je toch met Shakespeare? En dan mompel ik wat over mooi taalgebruik, verbeeldingskracht, diepe ideeën, reminiscenties aan de Bijbel. Shakespeare is geen psycholoog, maar legt wel diepe zielenroerselen bloot. Shakespeare is geen filosoof, maar af en toe hoor je wel Montaigne doorklinken. En ga zo maar door.

Natuurlijk, ik werd meteen gegrepen door het schitterende taalgebruik en de mooie metaforen. Het is zoals de nar in A Midsummernightsdream zegt: ‘And we strive to please you every day.’ Het zijn vooral de grote monologen met hun poëtisch taalgebruik die je bij tijd en wijle de adem benemen; de beelden rollen over elkaar zodat je nauwelijks tijd krijgt ze tot je door te laten dringen en wat wordt gezegd bij te benen.
En dan hebben we ’t nog niet eens over de manier waarop Shakespeare bestaande verhalen naar zijn hand zet, wikt en weegt en tegen alle verwachtingen in omdraait; uitgerekend bijvoorbeeld Caliban, zoon van een heks en dienaar van een magiër, spreekt in The Tempest de mooiste regels.
Allemaal redenen om zoveel mogelijk opvoeringen van zijn werk te willen zien; telkens valt een ander accent te ontdekken, valt een ander licht op een detail, wordt een ander verband gelegd dat je hart sneller doet kloppen.
Neem één van de laatste opvoeringen van Hamlet die ik zag, door het Noord Nederlands Toneel (NNT) in een regie van Ola Mafalaani. Daarin sloegen de beroemde woorden ‘To be or not to be’ niet alleen op leven en dood, maar vormden in de ingedikte versie het motto van het er hier direct op volgende toneelstuk in het toneelstuk. Het motto werd daarmee een waarheid als een koe die in het toneelstuk in het toneelstuk werkelijkheid werd.

Ook als ik terug denk, is en blijft het vooral dat toneelstuk in het toneelstuk in dit Stuk der Stukken dat mij in ’93 al op deed veren; kunst die van de werkelijkheid waarheid maakt, het leven weerspiegelt als een wilg in het water.
Die spiegelingen vormen samen met stereotypen die worden omgekeerd de rode draad die ik uit elke opvoering trek. Zoals in The Winter’s Tale Hermione (de vrouw) zichzelf rationeel en vermanend toespreekt en koning Leontes (de man) emotioneel reageert. Met een mooi woord metanoia: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad, and friends of foes’ zegt de oude man aan het eind van de tweede acte in Macbeth. Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek tot zegen als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri.
De waarheid is werkelijkheid geworden, zoals Pyramus en Thisbe in A Midsummernightsdream een harmonische toestand bereiken, elkaar tot hun recht laten komen. Dat is het iconische van Shakespeare: doorkijkjes geven die tragedie en komedie te boven gaan.
Kunst kan de wereld weliswaar niet verbeteren, maar wel tot inzicht leiden.

Soms vang je in het werk van Shakespeare een glimp van een harmonische wereld op. Wanneer een spiegeling de empathie bereikt zoals een Rogier van der Weyden die in lichaamstaal uitdrukt op zijn Kruisafname (Prado, Madrid), zoals Gloucester en Lear tegelijk op de grond vallen King Lear in de recente opvoering van het Barre Land.
Een catharsis, een bevrijding zoals in het laatste toneelbeeld van Hamlet in de opvoering door het NNT: een tiental lampen die uit het plafond naar beneden komen en heen en weer wiegen. Of, zoals György Lukács (in een essay over Thomas Mann) schreef: ‘In Shakespeare’s grootste tragedies, in Hamlet, in Lear, schijnt aan het slot het licht van een uit de tragische duisternis opstijgende nieuwe wereld (…). Is het niet voldoende dat het visioen van deze nieuwe wereld in staat is om aan het licht en de schaduw in het tragische zelf de juiste maatschappelijk-geestelijke, artistieke proporties en accenten te geven?’

Bij de nieuwe vertaling van Shakespeares Hamlet door Peter Verstegen en de opvoering van de bewerking van Tom Lanoye komend theaterseizoen.