Opdat wij horen

Het Festival Oude Muziek 2021 is van start gegaan! Traditiegetrouw is het nummer van het Tijdschrift Oude Muziek dat pal daarvoor verschijnt, geheel gewijd aan de programmering van het festival. Twee interessante artikelen sprongen er – niets ten nadele van de andere stukken – voor mij dit keer uit: het interview dat Stefan Grondelaers had met Marcel Pérès over Guillaume de Machauts Messe de Nostre Dame, dat 28 augustus jl. door zijn Ensemble Organum werd uitgevoerd in de Domkerk, en het artikel dat Avery Gosfield van Ensemble Lucidarium schreef onder de titel ‘Representatie en racisme in oude muziek. Piyyutim en het kruistochtrepertoire’. Dit naar aanleiding van een concert en een lezing op 1 september in Gasthuis Leeuwenbergh (ConcertLab). Ze sprongen er niet alleen uit, – ze gingen ook met elkaar is gesprek zoals de trouwe lezers van deze blog dat van mij kennen.

‘Zonder versiering lukt het niet’
Eerst het artikel van Grondelaers, die als universitair docent is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij stelt nadrukkelijk, dat ‘de Franse organist en dirigent Marcel Pérès [zie foto links] al vier decennia berucht is vanwege zijn make-overs van de heiligste huisjes uit de oude muziek’. De cd-registratie van Machauts Messe de Nostre Dame (uit 1997) was ‘buitengewoon controversieel’.

Tegen het slot van het interview stelt Pérès dat ‘bij Machaut de polyfonie een stapelvorm van stemmen is die bovenop de gregoriaanse melodie zijn geplaatst’. In mijn boekje Dialoog in muziek ben ik ingegaan op de manier waarop Pérès dit tot klinken brengt. En hij niet alleen – dit gold ook voor de tenor Nigel Rogers. In beide gevallen komt dit onder meer tot uiting in de oosterse versieringen die binnen hun uitvoeringspraktijk worden toegevoegd. ‘Daarbij gaat’, schreef ik (p. 26), ‘Pérès net als Nigel Rogers te rade bij etnologische bronnen en levende tradities die de oosterse oorsprong [van het gregoriaans, EvS] hebben bewaard’. Pérès zegt tegen Grondelaers dat men hem ‘de Oosters aandoende ornamentiek soms kwalijk neemt’. Hij zegt er niet bij of dit op enigerlei wijze te maken heeft met anti-judaïstische opvattingen.

‘Representatie en racisme in oude muziek’
Gosfield (foto rechts) benoemt dit wel in haar artikel. Zij wijst op bijvoorbeeld teksten uit de oude muziek, zoals de Cantigas de Santa Maria en stelt fijntjes dat ‘wanneer ze worden uitgevoerd, aanstootgevende teksten soms ongewijzigd worden gelaten, soms opgeschoond en soms weggeredeneerd’. In hetzelfde boekje als hiervoor genoemd, heb ik dit benoemd: in zevenentwintig van de dertig Cantigas is ‘sprake van joden als kinderen van de duivel. In Cantiga 12 wordt zelfs opgeroepen tot een pogrom in Toledo!’ (p. 18). Ik haal voorts een artikel aan, waarin ‘de Cantigas in de traditie van de kruistochten worden geplaatst’.

Daarmee zijn we binnen de context van het concert door het Ensemble Lucidarium: ‘Op weg naar Jeruzalem: kruistochtliederen’. Binnen dit concert confronteert het ensemble ‘een kruistochtlied als Jerusalem mirabilis met een muzikale zetting van de piyyut [postbijbelse Hebreeuwse gedichten, EvS] Elohim al domi le-dami (G’d, laat mijn bloed niet in vrede rusten)’. Zo, zegt Gosfeld, ‘kunnen we de gevolgen laten zien van anti-judaïstische retoriek en tegelijkertijd stem geven aan de slachtoffers ervan’.

Er valt nog veel meer interessants over te zeggen, maar dat kunnen we ongetwijfeld in het programmaboek bij het Festival teruglezen. Een ding nog.

Bloed
Tijdens een Bijbelkring over Hebreeën vroeg iemand wat de rol van het bloed binnen deze brief toch was. Ik vond een antwoord in het boek Messiaanse volharding van K.H. Kroon, dat in het verlengde ligt van de hiervoor genoemde piyyut. Het gaat terug tot Kaïn en Abel. ‘Abel spreekt nog altijd, hoewel hij dood is, hoewel hij vermoord is’. Zoals de zovelen, vanaf de kruistochten tot nu. ‘Zijn bloed roept tot God! Eigenlijk staat er een meervoud’, schrijft Kroon: ‘bloeden. Al dat bloed schreeuwt. Kaïn zei: Weet ik veel waar hij is. Maar God hoorde hem. Hij wist waar hij was, want zijn bloed riep. Dat is een motief gebleven. Ergens op een gedenkteken van de moord op zes miljoen joden staat de tekst uit Tenach: O, aarde bedek mijn bloed niet! Dat wil zeggen: Laat het niet toegedekt worden’ (p.18).

Ik denk dat Gosfeld met haar ensemble dit hoorbaar wil maken. Vanuit een innerlijk oor. Opdat wij horen.

Eén onderlaag

St. Nicolkaaskerk PurmerendDagvoorzitter Willem Poot stelde tijdens zijn inleiding op een dag van de Stichting Orgelnetwerk Noord-Holland (24 mei 2014 in de St. Nicolaaskerk te Purmerend, zie afb.), die geheel was gewijd aan de interpretatie van orgelwerken van Joh. Seb. Bach, dat Bach door het gebrek aan autografen eigenlijk ‘leeg’ is en door de organist kan worden gevuld. En – voeg ik daar maar even aan toe – door de toehoorder. Of het helemaal waar is, laat ik overigens in het midden.

De ene organist deed dit vanuit de vorm, de ander vanuit de inhoud. Bijvoorbeeld in de Fantasia in g kl.t. BWV 542, met een deel dat in de stylus fantasticus is geschreven en een gedeelte dat meer polyfoon is. Tjeerd van der Ploeg speelde het eerste wat vrij en het tweede wat streng, Kees van Eersel benadrukte het verschil in karakter: het eerste werd onder zijn handen dramatisch van toon, het tweede was vanuit de vocaliteit gedacht.

Tijdens de pauze van deze studiedag las ik in De Groene Amsterdammer (22 mei 2014) onder andere een artikel van Joost de Vries over de toneelvoorstelling Anne. Op een gegeven moment komt daarin Philip Roths The Ghostwriter ter sprake, waarin Anne Frank figureert als een levende vrouw in Massechusetts.
Ze weet dat de publicatie van haar dagboek het leed voor veel mensen invoelbaar heeft gemaakt en wil de mythe niet ongedaan maken. ‘Het portret van Anne moet blanco zijn, waardoor je er alles in kunt zien dat je wilt’, schrijft De Vries.

Ik zou liever zeggen: je mag de ondertekening van het portret niet zien, maar deze stuurt wel, zoals de noten bij Bach – autograaf of niet -, vorm en inhoud beide. Of zoals Kees van Eersel ‘s middags n.a.v. het koraal O Mensch, bewein dein Sünde Gross BWV 622 zei: ‘De articulatie mag je eigenlijk niet horen, maar moet je ervaren’.
Geen ontmythologisering dus, maar dóór de mythe heen prikken en een diepere (onder)laag bereiken en doorléven. Eentje (het lijden) beneemt je al genoeg de adem.