IJzersterk

Maarten ’t Hart richtte in het televisieprogramma VPRO Boeken als vanouds zijn pijlen op het christendom als een louter negatieve bron, Sybrand Buma creëerde in zijn H.J. Schoo-lezing – als ik Janneke Stegeman, Theoloog des vaderlands in Buitenhof even later mag geloven – een christendom dat helemaal niet bestaat, een geïdealiseerd verleden. Twee uitersten: het christendom als louter negatieve bron en een christendom als louter positieve bron, terwijl er talrijke nuanceringen vallen aan te brengen.

Volgens ’t Hart woont God op een ster, zoveel lichtjaren van ons verwijderd zodat er veel tijd zit tussen een gebed en Zijn reactie, bijvoorbeeld in de vorm van een aardbeving (!). Daarom worden volgens hem gebeden niet direct verhoord.
De komende tijd gaat de Talmoedstudiegroep waar ik deel van uit maak zich verdiepen over wat in de Talmoed wordt gezegd over het gebed. Hieronder plaats ik een niet uitgesproken, aan het slot iets voor deze blog aangevulde inleiding over dit thema die een andere kijk op het gebed geeft dan die van Maarten ’t Hart, die meende dat zijn redenering ‘ijzersterk’ was.
Ik heb mij hierbij gebaseerd op het boek Prayer in the Talmud van Joseph Heinemann (uitg. Walter de Gruyter, 1977), de Duits-Israëlische judaïst die een jaar na deze publicatie overleed. Het slot is een gedeelte uit mijn MA-scriptie.

De toegevoegde (dus niet vaste of formulier)gebeden in de Tempel gingen volgens Heinemann gelijk op met offers. Een restant daarvan treft hij aan in Lucas 1:10: ‘De gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het rookoffer.’ Het was de priester die het gebed uitsprak, beaamd door een respons als ‘Amen’ of ‘Gezegend de Ene’ (Baruch ata, Adonai). Hieraan werd grote waarde gehecht: ‘Groter is hij die antwoordt “Amen” dan hij die het gebed uitspreekt’ (Berachot 53b).
Op deze manier ontstaat er een relatie tussen het individu als deel van de gemeenschap en de Ene die direct wordt aangesproken. De vraag die Heinemann zich dan stelt is: is het denkbaar dat de gebeden van de mens invloed hebben op de wil van de Ene? Hij beantwoordt deze vraag met enkele citaten: ‘Drie dingen kunnen het besluit van de Ene annuleren: gebed, liefdadigheid en berouw’ (Tanuyet II 56b) en: ‘De Ene is geen mens, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben’ (Numeri 23:19).

Heinemann vindt dit wat naïef en komt met een volgend probleem: hoe kun je hier nog vanuit gaan na de vernietiging van de Tempel, waaruit de Shechinah (de aanwezigheid van God) is verdwenen? Hij antwoordt dan met: ‘Iedereen die in Jeruzalem bidt is iemand die bidt voor de Troon van de glorie, voor de poort van de hemel waarvan de ingang wijd openstaat en de gebeden worden gehoord, zoals in Genesis 28:17 staat: “Dit is niet anders dan een huis van de Ene, dat is de poort des hemels.” Rabbi Anan antwoordde: De poorten van de hemel zijn nooit gesloten, zoals staat geschreven: “Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Ene, Adonai, telkens als wij tot Hem roepen?” (Deut. 4:7). Een ander antwoord stelt dat hoewel de Shechinah uit de verwoeste Tempel is verdwenen, Zij nog steeds verkeert onder de mensen in de synagogen en het Beth ha midrash. Met een vers uit Jesaja (66:6): ‘Zoekt de Ene, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

Dit laatste is een opvatting die het beeld dat ’t Hart schetst, van de straffende God na zoveel lichtjaren, ombuigt richting een God die mee lijdt met het leed in de wereld. God is aanwezig in het lijden. De godsdienstfilosoof en theoloog Ingolf U. Dalferth heeft de opvatting van God die aanwezig is in de geschiedenis uitgewerkt in een verzameling essays die verschenen onder de titel Gedeutete Gegenwart.[1] In verband met de aanwezigheid van God in de geschiedenis, spreekt Dalferth van openbaring, wat hij omschrijft als iets dat zonder spreken gebeurt, als een nigun, een Lied ohne Worte dat volgens de Chassidim gelijk staat aan een gebed.
Dalferth ziet niet het kruis als symbool voor het lijden, maar de woorden die Jezus van Nazareth aan het kruis sprak, de zogeheten zeven kruiswoorden. Ook de afwezigheid van God, die tot uitdrukking komt in het vierde kruiswoord (’Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’, Psalm 22:2) is volgens hem een modus van God. Dat is een ander, ijzersterk verhaal!

 

[1] Ingolf U. Dalferth, Gedeutete Gegenwart. Zur Wahrnehmung Gottes in den Erfahrungen der Zeit (Tübingen 1997).

Marcello’s Estro poetico-armonico

MarcelloTijdens het a.s. Festival Oude Muziek in Utrecht, zal het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Richard Egarr enkele Hebreeuwse Psalmen van Benedetto Marcello (zie afb.) uitvoeren: http://oudemuziek.nl/musici/richard-egarr-nederlands-kamerkoor/

Ter gelegenheid daarvan plaats ik hier een gedeelte uit mijn boekje Dialoog in muziek (1997) dat over deze componist en deze bundel gaat.

 

In het begin van de 18de eeuw verzamelde Benedetto Marcello in de Duitse synagoge van Venetië, de Scola grande tedesca, muziek waarvan de invloed duidelijk aanwijsbaar is in zijn hoofdwerk Estro poetico-armonico (1724-1727), dat meerstemmige zettingen bevat van vijftig psalmen, in de Italiaanse berijming van Girolamo Ascanio Giustiniani.

Als voorbeeld mag de aanwezigheid in Marcello’s bundel dienen van Ma’oz zur, die door de Ashkenazische gemeenschap werd gezongen na het ontsteken van de Chanoeka-lamp, waarmee het wonder werd herdacht dat één oliekruikje voor acht dagen licht in de tempel leverde. Deze melodie is uit Duitsland afkomstig en dateert waarschijnlijk uit de 13de eeuw. Ze wordt nog steeds gezongen in Italië, Israël en de Verenigde Staten. In totaal zijn twaalf van de vijftig psalmen gebaseerd op synagogale melodieën, waaronder één van de fraaiste, Psalm 22, waarin ‘Yitgadal v’yitgadash sh’me raba!’ weerklinkt.

Hoe moet de invloed van het joods-muzikale erfgoed op Marcello worden geduid? Men is er niet van af door vast te stellen dat na de roof- en kruistochten in Venetië westerse en oosterse luister tot een unieke eenheid werd versmolten. Het is veeleer de vraag in hoeverre de joodse invloed een geïntegreerd bestanddeel vormde van het kunstenaarschap van Marcello, maar ook van Alessandro Scarlatti. Deze voegde in zijn Lamentazioni per la Settimana Santa (ca. 1708) op de joodse muziek geïnspireerde melismen (= reeks tonen op één lettergreep) toe aan met name het acrostichon (= naamvers) van de Klaagliederen.

Het valt te betwijfelen of wij er ooit precies achter zullen komen. Net zo min of wij zullen weten wat Orazio Vechhi (1550-1605) tegen het einde van de 16de eeuw bezielde toen hij, gefascineerd door synagogale gezangen, deze verwerkte in zijn polyfone madrigaal-komedie Amphiparnasso.

Maar misschien worden we straks tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht op 1 september, door verschillende uitvoeringen en lezingen, wél weer een stukje wijzer!