Een nieuw lichaam

De Duitse theoloog Bonhoeffer, die door de nazi’s werd geëxecuteerd, schrijft in zijn dodencel:
Al een jaar lang heb ik geen lied meer gehoord, maar het is merkwaardig, hoe de muziek die ik nu alleen met het innerlijk oor hoor, bijna nog mooier is, als de fysiek gehoorde. Ze is veel zuiverder, alle aankoeksels vallen er af, ze krijgen in zekere zin ‘een nieuw lichaam’…

Ik moest deze week twee keer aan deze uitspraak denken. Bij een cursus voor HOVO Amsterdam, over Franz Kafka en Midden-Europa rond 1900 door Michiel Hagdorn en bij de aankondiging van een tentoonstelling in Berlijn over Bonhoeffer.

Hagdorn antwoordde de eerste cursusmiddag op een vraag van een van de deelnemers, dat Kafka niets met muziek op had. Maar gisteren, tijdens de derde middag, lag Die Verwandlung op tafel. Hagdorn wees erop, dat het hoofdpersonage hierin graag wil dat zijn zuster naar het Conservatorium gaat, niet – merkte hij op – zozeer omdat hij het haar gunt, maar voor zichzelf, om zijn honger (!) te stillen. Dat wil zeggen dat hij in de muziek op zoek gaat naar waarheid, het zuivere en intieme en zo – vul ik met Bonhoeffer in mijn achterhoofd parafraserend aan – in zekere zin als kever zélf ‘een nieuw lichaam’ krijgt, hoewel Bonhoeffer het natuurlijk tussen aanhalingstekens zet omdat het slaat op het ‘nieuwe lichaam’ uit de Bijbel, d.w.z. dat na de opstanding uit de doden. Bekend is dat Bonhoeffer in zijn brieven refereert aan Kafka, onder meer aan Das Schloss dus dit uitstapje is mij vast vergeven.

Wie op internet zoekt naar informatie over de tentoonstelling in Berlijn, komt al snel terecht op pagina’s die verwijzen naar zijn huis – ook museum – in die stad. Dat brengt mij terug naar een wandeling die ik afgelopen voorjaar door Londen maakte, in de voetsporen van Bonhoeffer. Ik kwam toen terecht op een pleintje van een nog steeds bestaande pub (George Inn, zie foto), waar hij volgens een boek dat ik onlangs over hem las, elke middag at. Je komt dan toch even dichterbij, heb ik altijd het gevoel. Al moet ik bekennen dat al lezend en nadenkend over het werk van een schrijver het toch nog méér gaat leven. Dat wil zeggen inbreuk doet in je eigen leven.

Met terugwerkende kracht breng ik het citaat van Bonhoeffer ook in verband met een andere uitspraak van hem. Hij schreef in dezelfde tijd, in de cel in Berlijn-Tegel aan zijn vriend Eberhard Bethge en diens vrouw Renate over muziek ‘zoals je ouders ze beleven en beoefenen.’ En die, schrijft hij, ‘bij droefheid de grondtoon van vreugde in je levend houden.’
Dat is wat voor Bonhoeffer in alle ellende muziek dus vermocht te zijn: in zijn innerlijk oor, bijna nog mooier dan in het echt, de zuiverheid en de grondtoon van vreugde in je levend houden.

Hineni – Jozef en zijn broers (I)

Hermann Ebers – Joseph wird in den Brunnen geworfen (1922)

Ter voorbereiding op de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de eerste, naar aanleiding van De verhalen van Jaäkob.

In het programma waarin bovengenoemde cursus door Michiel Hagdorn bij de HOVO in Amsterdam wordt aangekondigd, wordt de romancyclus onder meer geplaatst tegen de achtergrond van ‘Manns tijdsomstandigheden: nazi-ideologie, “Exil”.’ Dat is hoe ik er nu ook tegenaan kijk, maar de roman is zó rijk dat andere invalshoeken er gaandeweg er zeker aan toegevoegd zullen worden. Alleen de titel van de cursus (Een ironische mensheidsmythe in romanvorm) geeft al een ander spoor aan, net als het essay dat vertaler Thijs Pollmann destijds in de Gids schreef (nr. 4/2015): ‘De kuisheid wint. Het waarom van de Jozef-romans van Thomas Mann.’

Het ene element dat ik na lezing van het eerste deel hier uit wil lichten, is gelegen in één woordje dat in het Bijbelse verhaal over Jozef meermalen terugkomt: het Hebreeuwse hineni. Gerard van Broekhuizen heeft vertaald met onvoorwaardelijk beschikbaar, in verantwoordelijkheid. Elders vond ik ook dat het moet worden gelezen als een verklaring om een radicale keuze te maken.

In de Nederlandse vertaling van Mann komt het twee keer (vertaald) voor. Ik geef de context: ‘Uit de richting van de heuvel en van de huizen werd zijn naam geroepen: “Jozef! Jozef!, twee, drie keer, van een afstand die steeds kleiner werd. De derde keer hoorde hij de roep, gaf in elk geval bij de derde keer toe dat hij hem gehoord had en maakte zich los uit zijn toestand, terwijl hij “hier ben ik” [hineni] prevelde’ (p. 71). En de tweede keer: ‘Hij mompelde de vaste formule der gehoorzaamheid: “Hier ben ik”.’

Dat wil volgens Levinas, die Van Broekhuizen citeert, zeggen: ‘Wezenlijk: het appèl van God verstaan/horen. Daarom is er altijd hineni.’ Waarop Van Broekhuizen concludeert: ‘Zou houdt de mens die ‘hier ben ik’ kan zeggen, de geschiedenis gaande. Omdat hij – anders dan Adam – een antwoord heeft op de vraag ‘waar ben je?’.
Een antwoord zou móeten hebben, zou ik willen zeggen. Of zoals Huub Oosterhuis aan het slot van het gedicht Kerstmis 2016 dat hij voor Trouw schreef dichtte:

Kerstmis is twee- of driemaal
niet te tellen naamloos velen
die ‘hier ben ik’ zijn
en doen wat moet gedaan.

http://www.tijdschriftschrift.nl/index.php/downloads/naschriften/66-naschrift-256-hier-ben-ik/file