Over kerk en synagoge en twee beelden van Johan Tahon

‘Interessant u. vor mir aus gesehen, nie lösbar’ schreef de Zwitserse vriendin van mijn vader op de flyer van de tentoonstelling Ecclesia et Synagoga. Zwei feindliche Schwestern in 1999 in het Jüdisches Museum Hohenems (Oostenrijk, zie afb. links). Zou het beeld Twins – Zwillinge, een monument voor Hannover dat Johan Tahon maakte (zie afb. rechts, foto van Gert-Jan van Rooij) en dat op 4 mei a.s. om 19.00 uur aan de Landeskirche aan de Rote Reite wordt onthuld, die vraag anders hebben beantwoord? Daarvoor moeten we eerst in de kunstgeschiedenis duiken.[1]

Ecclesia en Synagoga
De afbeelding van de twee zusters, of tweelingen zoals Tahon ze noemt, vindt de basis in typologieën die kerkvaders en middeleeuwse navolgers in de Bijbel vonden. Kaïn en Abel is een voorbeeld. Ambrosius zag in Kaïn de voorafbeelding van Annas en Kajafas, Judas en de joden, en in Abel de voorafschaduwing Jezus van Nazareth, de goede herder die onschuldig ter dood wordt gebracht. Bij deze, en andere voorbeelden is de ‘goede’ kant steeds de kerk en staat de ‘slechte’ voor de synagoge. Het is in de middeleeuwse kunst uitzonderlijk, wanneer ze min of meer gelijkwaardig worden afgebeeld. Bijvoorbeeld als os en ezel bij de geboorte van Jezus.

Concordia
Een andere opvatting vinden we terug in de zogenaamde Concordia Veteri et Novi Testamenti, oftewel de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Hierin wordt uitgegaan van het feit dat beide boeken ten diepste dezelfde boodschap brengen. De synagoge wordt gezien als de draagster van Tenach, en Ecclesia als een volgende fase in het heilsplan dat God met de wereld heeft.
Maar er bestaat ook een andere invulling van, die onder meer tot uiting komt in het geschrift Altercatio Ecclesiae et Synagogae (ca. 500?). Hierin wordt een twistgesprek beschreven tussen Synagoga en Ecclesia. Ze worden beide voorgesteld als vrouw, en de Synagoga eist haar eigenheid terug van de Ecclesia. Maar ze krijgt die niet en wordt beschuldigd van liegen en blindheid.

Afbeeldingen
Dit laatste gegeven, de blinde Synagoga, leidt rechtstreeks naar de manier waarop de vrouw later wordt afgebeeld. Eerst is het vaak overigens nog een man, zoals Mozes op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en moet worden onthuld door de Ecclesia.
Later werden kerk en synagoge gepersonifieerd als twee vrouwen: aan de ene kant de dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd valt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken, en aan de andere kant een fier rechtop staande kerk, met gekroond hoofd, een miskelk en een kruisstaf. Beide typologieën gaan ook hier terug tot de Bijbel: respectievelijk Klaagliederen 1:1 en 5:15-17 en Efeze 5:25-33. Beide vrouwen kijken omhoog, vanwaar hun verlossing zou moeten komen: Jezus aan het kruis.
Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Twee lijnen
In het vervolg van de kunstgeschiedenis tekenen zich twee hoofdstromen af wat betreft het uitbeelden van kerk en synagoge. In de eerste plaats is er de stroming die de blindheid van de synagoge als onherroepelijk voorstelt en iets dat uitloopt op eeuwige verdoeming in de hel. In de tweede plaats is er een visie op de synagoge, waarin de sluier aan het eind der tijden wordt afgenomen en beide zusters zich verzoenen. Een voorbeeld van dit laatste is te zien op een gebrandschilderd raam in Saint Denis. Hierop staat Jezus van Nazareth tussen kerk en synagoge in. Met Zijn ene hand kroont Hij de kerk, en met Zijn andere trekt hij de sluier van de ogen van de synagoge. In deze visie heeft Christus dus beide, kerk en synagoge, met elkaar verzoend.

Johan Tahon
Waar staat de tweeling van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon in dit geheel?
Al in een interview in De Morgen (18 december 2010) zegt de kunstenaar zowel dat het Christendom steeds belangrijker voor hem wordt, als dat het hem in zijn werk vooral gaat over het contact tussen mensen. Het is niet voor het eerst dat hij een tweeling neerzet. In het geval van de twee beelden in Hannover draait het om het contact tussen de tweeling joden- en christendom.
In een artikel van Wim van Mulders, op de website van Tahon, zegt Van Mulders dat de beelden van Tahon lijken te gaan over gelijkgestemdheid. Dat lijkt bij het beeld in Hannover zeker op zijn plaats. Beide figuren, mannen of vrouwengestalten, dat is niet duidelijk, leunen ergens tegenaan: Tenach bij de ene figuur, het Evangelie bij de andere? Beide lijken ook aangedaan en gewond, zoals bijna alle beelden van Tahon. De één kijkt je aan, de ander lijkt in gedachten verzonken. Als ze de positie aanhouden van de oude kerk en synagoge-beelden aan de kathedralen, dan is degene die kijkt de kerk en degene die in gedachten is de synagoge. Maar ze stijgen boven de sjablonen van deze beelden uit. Het meest lijken ze nog in het verlengde te liggen van de verbeelding van de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Maar of ze de vraag van de Zwitserse vriendin van mijn vader oplossen of deels open laten? Dat is het soort vraag waar een ieder die langs de kerk loopt over na kan denken. Want dat is wat de beelden doen: ze stellen ons een vraag, over de eeuwen heen in het hier-en-nu. Waarbij de toekomst open blijft en niet aan ons is om in te vullen.


Verschijnt ook in
GM Gast-huismagazine nr. 104 (mei 2017).

http://www.johantahon.be

[1] Ik ontleen enkele gegevens aan een lezing die dr. U.H. Kollaard hield voor het Leerhuis op dinsdagavond van het Centrum voor Leren en Vieren (thans: Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie) op 19 januari 1999, waar ik het gesprek na de pauze mocht voorzitten.

 

David, Saul en Orpheus

Zang der vocalenHet beeld Zang der vocalen van de in Litouwen geboren Chaim Jacob Lipchitz (1891-1973, beeldentuin Kröller-Müller Museum, Otterlo, zie afb.) staat voor mij symbool voor leven en werk van Emmanuel Levinas (1906-1995), die zoekt naar “de symfonie waarin alle zinnen beginnen te zingen, het hoogste lied van alle liederen”.
Lipchitz beeldt een Hebreeuwse letter uit in de vorm van een harp. Een harp die een eenheid vormt met het lichaam van de bespeler; de muziek die uit de snaren komt resoneert, nee – om een term van Levinas te gebruiken – incarneert in dat lichaam. Het is muziek als uit een Ur der Chaldeeën die (weer)klinkt. Als een oer-zang, die je als archeoloog – ook weer zo’n woord dat Levinas bezigt – zou willen bovenhalen. Het is een (ver)beeld(ing) die teruggaat naar zowel Tenach als de Griekse mythen. Naar David en Saul en naar Orpheus. Lipchitz drukt, gelijk Levinas, zijn verwantschap met beide uit. De beeldhouwer maakte het bronzen beeld aan de vooravond van de donkere jaren die ook een schaduw werpen op het leven van Levinas. Toch slagen beiden erin geschiedenis te zien als een geschieden van het Woord, een tot leven gekomen letter van de Torah. Bij Levinas was het w/Woord er vanaf het begin, in den beginne: zijn vader was boekhandelaar. Muziek kwam daarna; zijn vrouw Raissa Levi (ook wel gespeld als Raïssa Lévi) was pianiste, hun zoon Michael componist en pianist. Levinas’ denken toont echter ook, gelijk het latere werk van Lipchitz, een worsteling met de betekenis van kunst en cultuur. Laten we bekijken hoe zijn leven verloopt.

Eerste indrukken: Litouwen en Oekraïne
Emmanuel Levinas wordt op 12 januari 1906 geboren in Kovno (Kaunas) in Litouwen, het meest Russisch aandoende land van de drie Baltische staten. Hij groeit op in een gezin van mitnagdiem. Levinas leert Hebreeuws (zonder Talmoed), leest Tenach en de grote Russische negentiende eeuwse literatuur, met name Poesjkin en Dostojewsky. Daarbij was in het tweede geval “zijn inzet”, aldus zijn biografe, “speculatief, ontologisch en antropologisch”. Dit blijkt later uit de manier waarop hij zijn motto’s boven de hoofdstukken van Humanisme de l’autre homme kiest en kneedt.
In 1915 wordt Kovno door de Duitsers bezet. Het gezin vlucht naar Charkov (Oekraïne). In Charkov maakt de familie de Russische revolutie (1917) mee. Levinas is erdoor gefascineerd en betreurt de terugkeer naar Kovno (1920).

Studiejaren en Tweede Wereldoorlog
In 1923 gaat Emmanuel naar Frankrijk om in Straatsburg filosofie te studeren. Hier maakt hij kennis met de fenomenologie van Edmund Husserl (1859-1938).
In 1928 trekt hij naar Freiburg am Breisgau om aan de voeten van Husserl zelf te zitten. Hij volgt er ook colleges bij diens oud-student en opvolger Martin Heidegger (1889-1976), de auteur van Sein und Zeit. Wezenlijke begrippen die hij eruit oppikt zijn: ‘zijn’, ‘geschieden’ en ‘tijd’, die hij beschouwt in relatie tot de a/Ander.
In 1930 promoveert Levinas bij Jean Wahl (1888-1974) aan de Sorbonne op La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl.
In 1939 kwam de inmiddels tot Fransman genaturaliseerde Levinas gedurende vier jaar als krijgsgevangen Fransman niet in een concentratiekamp maar in Duits gevangenschap terecht (Stalag IIB, Fallingbostel). Zijn Litouwse ouders, twee jongere broers en schoonouders worden vermoord. Deze ervaring legt de basis voor zijn kritische vragen met betrekking tot het westerse denken.

Jaren als hoogleraar
Vanaf 1961, het jaar waarin zijn eerste grote boek verschijnt (Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité), tot 1976 is Levinas werkzaam als hoogleraar. In Poitiers en Parijs (Nanterre en vanaf 1973 aan de Sorbonne). Pal voor zijn emeritaat komt zijn tweede grote publicatie uit: Autrement qu’être ou au-delà de l’essence. Hierin neemt hij afscheid van het denken van zijn leermeester Heidegger.
In 1954 (volgens Lescourret) of 1948 (volgens Duyndam en Poorthuis) wordt Levinas directeur van de École Normale Israélite. Vanaf dit moment verdiept hij zich in de Talmoed.
Levinas overlijdt op eerste kerstdag, 25 december 1995 in Parijs. Jacques Derrida (1930-2004) spreekt tijdens de begrafenis de rede Adieu uit waarin “wij de ander voorbij het zijn begroeten”. Derrida is gaandeweg steeds meer tot de ontdekking gekomen, dat zijn denken door Levinas is beïnvloed; het essay De l’hospitalité (1977, in het Nederlands vertaald onder de titel Over gastvrijheid, 1998) getuigt daarvan.

Gedeelte uit mijn BA-scriptie over Emmanuel Levinas, dat ik hier plaats t.g.v. het feit dat Kovno (Kaunas, Lithouwen) een park krijgt dat naar hem wordt genoemd. In Kovno is al een straat naar hem genoemd, en aan zijn geboortehuis is een gedenksteen aangebracht.

Over het beeld zelf schreef ik in het kader van de verhalenestafette van het Kröller-Müller Museum: https://www.facebook.com/KrollerMuller/photos/pb.113989875348657.-2207520000.1542014047./1978319852248974/?type=3&theater