Sleutelroman of niet?

Wormen en engelen van Maarten van der Graaff (1987) behoort tot de vijf genomineerde boeken voor de Anton Wachterprijs 2018. De uitreiking vindt op 10 november a.s. plaats in de Grote Kerk te Harlingen. Ik las het boek begin van dit jaar voor een leesclub. De bijeenkomst zelf kon ik helaas vanwege een bronchitis niet bijwonen. Onderstaand een uitwerking van de aantekeningen die ik al lezend maakte – dus niet een voldragen recensie, maar een opwarmertje die naar ik hoop de lezers van deze blog er toe aanzet dit geweldige boek te gaan lezen. Met aanvullend een vergelijking tussen het boek en The Garden, een compositie van Richard Ayres (1965) die 14 september jl. door het Asko|Schönberg werd uitgevoerd in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ.

Maarten van der Graaff
De achterflap vermeldt dat de auteur opgroeide ‘in een gereformeerd gezin op Goeree-Overflakkee’ en voor zijn dichtbundels Vluchtautogedichten de C. Buddingh’-prijs won en voor Dood werk de J.C. Bloem-poëzieprijs. Wormen en engelen is zijn romandebuut. Het is – aldus nog steeds de achterflap – ‘een eigentijdse zoektocht naar de betekenis van geloof, geschreven in het kraakheldere proza van een van de meest getalenteerde auteurs van nu’.

Wormen en engelen
Het boek vertelt over de gereformeerde Bram Korteweg die in Utrecht studeert, ver weg van zijn Zeeuwse ouderlijk huis. Op het moment dat zijn vader zich laat dopen en zijn vriend dominee wordt, komen er vragen boven. Wat kunnen zij in het geloof vinden dat hij zelf er niet meer in vindt?
Het boek is geen afrekening met het geloof, zoals dat van schrijvers van een eerdere generatie als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, maar eerder – net als bij generatiegenoot Franca Treur (ook uit Zeeland trouwens) – een zoektocht om er op een of andere manier dichterbij te komen.

De auteur beschrijft deze zoektocht door het eiland in Zeeland centraal te stellen, door de overkant op te voeren en het strand – dit geeft symbolisch een weg aan: los staand, reikend en vaste grond (wat heet) onder de voeten hebbend. Alle drie gebeurt door middel van citaten. Het eiland wordt verwoord door Broeder Dieleman in ‘Omer Gielliet’ (Uut de bron), de overkant door Bruce Boone (uit Century of Clouds) en het strand door Pier Paolo Pasolini.

Ze zijn alle drie tekenend, net zoals het kenmerkend is voor de stijlkaart waaruit het boek bestaat. Het is een roman die bestaat uit e-mails, dialogen, beschrijvingen, essays (over Franciscus van Assisi en Simone Weil), verwijzingen naar andere boeken (Chris Kraus, Valeria Luiselli) en dus citaten. Achterin het boek zijn twee pagina’s verantwoording opgenomen.

Ik vermoedde er zelfs een sleutelroman in. Wilfried, een oudere man die in een woongemeenschap leeft en de gemoederen van Bram ook nog eens bezighoudt, heeft al dan niet toevallig de trekken van Gerard Peter Freeman, die ook in Utrecht studeerde en zijn aandacht in het bijzonder richtte op Clara van Assisi. Of dit zo is, ben ik door afwezigheid bij de boekenclub (waar Maarten van der Graaff ook zelf bij was) niet te weten gekomen. Het is aan de lezers van het boek om op zoek te gaan. En dat heeft ook wel  wat, dingen open laten.

The Garden van Richard Ayres
Op de een of andere manier doet dit weer bezig zijn met het boek van Maarten van der Graaff denken aan No. 50 (The Garden) van Richard Ayres. De compositie is om te beginnen formeel net als het boek van Van der Graaff een staalkaart. Inhoudelijk is het net als de roman een innerlijke reis die symbolisch wordt vormgegeven. Een man springt in een gat in zijn achtertuin en gaat op weg naar de hemel. Dante komt uiteraard voorbij, maar ook Jeroen Bosch en Shakespeare. En – jawel! – een worm. De worm werd getoond in de visualisatie van videokunstenaar Martha Colburn. Joshua Bloom was tijdens de uitvoering de zanger, Bram Korteweg zeg maar, die de bezoekers meenam op zijn tocht. Het kan geen toeval zijn – maar iets dat je toevalt. Boek en muziek.

Maarten van der Graaff, Wormen en engelen. Uitg. Atlas Contact. ISBN 9789025449704. € 19,99

IJzersterk

Maarten ’t Hart richtte in het televisieprogramma VPRO Boeken als vanouds zijn pijlen op het christendom als een louter negatieve bron, Sybrand Buma creëerde in zijn H.J. Schoo-lezing – als ik Janneke Stegeman, Theoloog des vaderlands in Buitenhof even later mag geloven – een christendom dat helemaal niet bestaat, een geïdealiseerd verleden. Twee uitersten: het christendom als louter negatieve bron en een christendom als louter positieve bron, terwijl er talrijke nuanceringen vallen aan te brengen.

Volgens ’t Hart woont God op een ster, zoveel lichtjaren van ons verwijderd zodat er veel tijd zit tussen een gebed en Zijn reactie, bijvoorbeeld in de vorm van een aardbeving (!). Daarom worden volgens hem gebeden niet direct verhoord.
De komende tijd gaat de Talmoedstudiegroep waar ik deel van uit maak zich verdiepen over wat in de Talmoed wordt gezegd over het gebed. Hieronder plaats ik een niet uitgesproken, aan het slot iets voor deze blog aangevulde inleiding over dit thema die een andere kijk op het gebed geeft dan die van Maarten ’t Hart, die meende dat zijn redenering ‘ijzersterk’ was.
Ik heb mij hierbij gebaseerd op het boek Prayer in the Talmud van Joseph Heinemann (uitg. Walter de Gruyter, 1977), de Duits-Israëlische judaïst die een jaar na deze publicatie overleed. Het slot is een gedeelte uit mijn MA-scriptie.

De toegevoegde (dus niet vaste of formulier)gebeden in de Tempel gingen volgens Heinemann gelijk op met offers. Een restant daarvan treft hij aan in Lucas 1:10: ‘De gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het rookoffer.’ Het was de priester die het gebed uitsprak, beaamd door een respons als ‘Amen’ of ‘Gezegend de Ene’ (Baruch ata, Adonai). Hieraan werd grote waarde gehecht: ‘Groter is hij die antwoordt “Amen” dan hij die het gebed uitspreekt’ (Berachot 53b).
Op deze manier ontstaat er een relatie tussen het individu als deel van de gemeenschap en de Ene die direct wordt aangesproken. De vraag die Heinemann zich dan stelt is: is het denkbaar dat de gebeden van de mens invloed hebben op de wil van de Ene? Hij beantwoordt deze vraag met enkele citaten: ‘Drie dingen kunnen het besluit van de Ene annuleren: gebed, liefdadigheid en berouw’ (Tanuyet II 56b) en: ‘De Ene is geen mens, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben’ (Numeri 23:19).

Heinemann vindt dit wat naïef en komt met een volgend probleem: hoe kun je hier nog vanuit gaan na de vernietiging van de Tempel, waaruit de Shechinah (de aanwezigheid van God) is verdwenen? Hij antwoordt dan met: ‘Iedereen die in Jeruzalem bidt is iemand die bidt voor de Troon van de glorie, voor de poort van de hemel waarvan de ingang wijd openstaat en de gebeden worden gehoord, zoals in Genesis 28:17 staat: “Dit is niet anders dan een huis van de Ene, dat is de poort des hemels.” Rabbi Anan antwoordde: De poorten van de hemel zijn nooit gesloten, zoals staat geschreven: “Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Ene, Adonai, telkens als wij tot Hem roepen?” (Deut. 4:7). Een ander antwoord stelt dat hoewel de Shechinah uit de verwoeste Tempel is verdwenen, Zij nog steeds verkeert onder de mensen in de synagogen en het Beth ha midrash. Met een vers uit Jesaja (66:6): ‘Zoekt de Ene, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

Dit laatste is een opvatting die het beeld dat ’t Hart schetst, van de straffende God na zoveel lichtjaren, ombuigt richting een God die mee lijdt met het leed in de wereld. God is aanwezig in het lijden. De godsdienstfilosoof en theoloog Ingolf U. Dalferth heeft de opvatting van God die aanwezig is in de geschiedenis uitgewerkt in een verzameling essays die verschenen onder de titel Gedeutete Gegenwart.[1] In verband met de aanwezigheid van God in de geschiedenis, spreekt Dalferth van openbaring, wat hij omschrijft als iets dat zonder spreken gebeurt, als een nigun, een Lied ohne Worte dat volgens de Chassidim gelijk staat aan een gebed.
Dalferth ziet niet het kruis als symbool voor het lijden, maar de woorden die Jezus van Nazareth aan het kruis sprak, de zogeheten zeven kruiswoorden. Ook de afwezigheid van God, die tot uitdrukking komt in het vierde kruiswoord (’Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’, Psalm 22:2) is volgens hem een modus van God. Dat is een ander, ijzersterk verhaal!

 

[1] Ingolf U. Dalferth, Gedeutete Gegenwart. Zur Wahrnehmung Gottes in den Erfahrungen der Zeit (Tübingen 1997).