De clown uithangen

Mijn moeder hield van Buziau, mijn vader van (Stan) Laurel & (Oliver) Hardy. Ze zouden hun hart ongetwijfeld hebben opgehaald aan een kleine tentoonstelling over de eerste in Museum Rijswijk, en aan de biopic Stan & Ollie die vanaf morgen in de bioscopen draait. En wellicht ook aan de roman over een clown (een novelle eigenlijk) De tuinen van de herinneringen van Michel Quint en de solovoorstelling De laatste van Jack Wouterse, waarover ik hier al eerder blogde.

In het fraaie boekje dat ter gelegenheid van de tentoonstelling in Rijswijk verscheen, staat als laatste zin: ‘Zij zijn alleen maar zichzelf. Tijdloos.’ Een zin die blijft haken. Gaven de genoemde komieken ook niet allemaal een tijdsbeeld van de periode voor de Tweede Wereldoorlog, zoals Quint dat gaf van de periode tijdens en na de oorlog? Het verschil zit hem er misschien in, dat Buziau, om met Quint te spreken, ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ gelijk Jack Wouterse in zijn rol? Terwijl Laurel & Hardy volgens Joost Broeren-Huitenga, recensent van De Filmkrant, vooral ‘goedmoedige acts’ ten beste gaven. Wat tussen twee haakjes overigens meteen, wat overdreven, het verschil in levenshouding tussen mijn moeder en vader aangeeft.

Op een of andere manier bestond er eenzelfde gevoel van verstandhouding tussen mijn moeder en Buziau als tussen de ik-figuur en de clown in het verhaal van Quint. Een verstandhouding over zowel het uiterlijk als het innerlijk van Buziau. Hij had de borstelige wenkbrauwen die mijn vader van nature ook had. Wee je gebeente als de kapper ook maar opperde of hij deze maar eens wat zou uitdunnen. Buziau had, net als mijn moeder en de vader van de ik-figuur bij Quint, een enorme klap van de oorlog opgelopen. Na de oorlog trad Buziau niet meer op, leerde ik in de tentoonstelling te Rijswijk. Het ging gewoon niet meer.

Laurel & Hardy hadden ook hun beste tijd voor de oorlog gehad, al is het wellicht schokkend te zien dat zij zich in 1937 meer bezig hielden met ‘gekissebis onderweg naar de set (over geldgebrek, vrouwen, gokken en drank)’ aldus Broeren-Huitenga, wat een aanzet moet vormen tot hun teloorgang na de oorlog, in 1953.

Over die tijdloosheid valt tenslotte ook nog wel wat te zeggen. Misschien zouden we dat nu wat oubollig vinden, dat ‘gedoe met bagage bij een hotelbalie; een hutkoffer die van een trap af dondert’ (Broeren-Huitenga). En of mijn vader er nu ook nog om zou moeten lachen, weet ik nog zo net niet. Feit blijft dat zowel Laurel & Hardy als Buziau zichzelf bleven. Net als Jack Wouterse. Zelfs zo dat je je kunt afvragen of de titel van zijn solovoorstelling niet verwijst naar een laatste voorstelling. Soms moet dat zo zijn.

Soms niet. Dat geldt voor de jongen in de roman van Quint die zegt: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al degenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt proberen te wekken. Ik zal ook proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid!’

Deels gebaseerd op een column (uit 2016) op de website van Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/?s=Buziau

 

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

[Op. 21:1]

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.

Zo eindigt Jack Wouterse zijn schitterende solovoorstelling De laatste. Ik zag opeens Les trois yeux, een stuk keramiek uit 1958 van Jean Cocteau voor me (zie afb. rechtsboven). Het is te zien op de tentoonstelling ‘Metamorphosis’ in het Design Museum Den Bosch.
Niet alleen à la Rudi Fuchs, die ook altijd formele overeenkomsten tussen afbeeldingen op het spoor is, zoals hier de cirkel rond de clownskop van Wouterse en rond één van de ogen bij Cocteau, maar ook en vooral inhoudelijk – in het visionaire van zowel Wouterse/Openbaring als Cocteau.

Gaat dat zien: Wouterse toert nog tot en met eind februari 2019 door het land, en de tentoonstelling in Den Bosch is nog tot en met 10 maart te zien:

https://allesvoordekunsten.nl/jack-wouterse-de-laatste/
www.designmuseum.nl.

Stille waters hebben diepe gronden


Tekst van een korte lezing die ik hield tijdens een filmavond bij Atria, Amsterdam
(19 oktober 2017).

 

‘Ze heeft een talent om de laag die niet in de tekst ligt, maar daaronder, te vertolken. Dat geeft een bijzondere, lyrische sfeer en ongewone diepte aan de teksten.’ Dat zegt de blokfluitiste Stephanie Brandt in Patricia Werner Leanse’s film over de Nederlands-Griekse componiste Aspasia Nasapoulou.
Het zou zomaar over de films van Werner Leanse en Yve du Bois zélf kunnen gaan: zij hebben een talent om de lagen zichtbaar te maken die onder een verhaal liggen, – het verhaal over het leven of een stuk van een componist. Het is in ieder geval het uitgangspunt van mijn korte inleiding op de vijf films die straks achter elkaar worden vertoond: de verschillende lagen die erin zitten, of althans: die ik eruit haal en die in de films naar mijn gevoel al worden gesymboliseerd door het vele water wat erin stroomt: stille waters hebben diepe gronden.

Het verhaal
Het verhaal zelf staat eigenlijk in de aankondiging van deze avond, en daar kunnen we kort over zijn. De films gaan respectievelijk over een door beeldende kunst, literatuur en dans geïnspireerde componiste, een grande dame van de Zweedse muziek, een avantgardiste die haar tijd ver vooruit was, een gedreven netwerker en een componiste van onder meer Franse chansons. Twee films (Beyer en Andrée) zijn met Engelse ondertiteling.
Het zijn verhalen over vrouwelijke componisten in een door mannen gedomineerd gebied. Daarvoor staan misschien het water en de vele vogels die rondvliegen ook symbool; het zwemmen tegen de stroom in aan de ene kant en het je vleugels uitslaan aan de andere kant.
Kijk maar naar het moment waarop wordt verteld dat de Zweedse grande dame, Elfrida Andrée, naar Stockholm gaat om te studeren: pal voor die vermelding vliegt een meeuw met sterke vleugelslagen op. Ook de film over de hiervoor al genoemde Nasapoulou sluit af met wegvliegende vogels.
Het zíjn dan ook verhalen over sterke vrouwen. Andrée bijvoorbeeld was de eerste vrouwelijke kerkorganist in het Zweden waar vrouwen geen kerkorganist konden worden, zo wordt in de film gezegd. En op dat moment wordt een gigantisch slot op een kerkdeur getoond. Andrée verbrak in 1861 het slot, dat in Nederland al eerder, in 1719, was verbroken door Agnita Wilhelmina Snep die haar vader opvolgde als organist in Zierikzee.

De vorm
Het moge duidelijk zijn dat de vorm die Werner Leanse voor haar films kiest, raakt aan muzikale vormen. In de film over Rosy Wertheim bijvoorbeeld valt een A-B-A-vorm te herkennen; wanneer het verhaal aan het begin en het eind (A) in Nederland speelt, in Amsterdam en in Laren, klinkt een door Rae Milford bespeeld klokkenspel, en wanneer het verhaal in het midden (B) is gesitueerd in Parijs, waar ze correspondente voor Het Volk is, klinkt andersoortige muziek. Deze sonatevorm wordt afgesloten met een coda, een door Werner Leanse zelf gezongen gedeelte uit een lied van Wertheim, begeleid door piano én gekras van kraaien:

‘k Heb veel gelachen en geschreid, –
Nu komt de winter, wit en wijd,
Die alles stil zal maken.

Maar ook de vorm gaat nog dieper. Een buitengewoon fascinerend voorbeeld daarvan is te vinden in het portret over de Duits-Amerikaanse componiste Johanna Beyer. Terwijl op een gegeven moment haar muziek steeds langzamer gaat, versnellen de beelden juist, alsof je in een stilstaande trein op het perron staat, terwijl de trein ernaast gaat rijden en snelheid maakt. Aan de kijker wordt overgelaten deze metafoor naar believen zelf in te vullen.

Metafoor
Dat geldt ook voor wat ik een metafoor pur sang zou willen noemen, en waarmee ik deze korte inleiding wil afsluiten. Hij komt voor in het portret van de Nederlandse componiste en pianiste Marjo Tal en viel Werner Leanse toe, terwijl ze in Parijs op straat filmde. Het is het beeld van een clown, waarmee ze Tal ten diepste heeft gepeild.
De beelden doen mij denken aan de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint: een clown met [ik citeer] ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de clown in de roman van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’
Tal koos voor haar werken teksten die een combinatie vormen van humor, ernst en symboliek. Werner Leanse koos voor haar films eenzelfde soort combinatie, waarmee ze het werk van de vijf componisten die vanavond centraal staan een extra lading meegaf. De diepere lagen die ze daarmee blootlegt, heb ik geprobeerd als de schillen van een ui kort af te pellen. Het woord is nu aan de vijf filmportretten zelf.

Johanna Beyer – https://vimeo.com/bubbleeyes/beyer

Elfrida Andree – https://vimeo.com/bubbleeyes/elfrida

Aspasia Nasopoulou – https://vimeo.com/bubbleeyes/aspasia

Rosy Wertheim – https://vimeo.com/bubbleeyes/rosywertheimnl

Marjo Tal – https://vimeo.com/bubbleeyes/marjotalnl

De clown van …

Tijdens het Holland Festival bracht de Singaporese pianiste Margaret Leng Tan de cyclus Metamorphoses Book I voor versterkte piano, speelgoedpiano, klein slagwerk en stem van de 87-jarige George Crumb in première. En voor clownsneus, want die droeg ze tijdens een van de delen uit de zeg maar Schilderijen van een tentoonstelling: ‘Clowns in de nacht’ van Marc Chagall (privécollectie, zie afb.).
Ik weet niet of de componist dit voorschreef of dat het een idee was van de pianiste, maar deze ‘opleuking’ was niet alleen onnodig maar deed Chagalls schilderij ook geen recht. Maar het bracht me wel op een idee.

Chagall heeft zelf het volgende over clowns geschreven: ‘Ik heb clowns, acrobaten en toneelspelers altijd als tragische wezens beschouwd, die voor mij overeenkomsten hebben met bepaalde personages op religieuze schilderijen. Zelfs nu nog komen bij het schilderen van een kruisiging of een ander religieus thema dezelfde gewaarwordingen in mij op als wanneer ik circusvolk schilder. En dat terwijl er aan deze schilderijen niet literairs kleeft – het is heel moeilijk te verklaren waarom ik tussen deze twee zo verschillende thema’s een psychoplastische overeenkomst voel.’

Deze overeenkomst doet mij opeens heel anders kijken naar de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint (zie afb.), een clown met ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gedurende de Tweede Wereldoorlog gebeurde. De clown probeert, zoals de clown van Aleppo die in december op 24-jarige leeftijd werd gedood toen een Syrische of Russische raket insloeg, het leven te veraangenamen. Of het ze lukte, die clowns van Chagall, Quint en in Aleppo, te midden van de nacht?

Toen de clown van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’

Opeens schoof het beeld van een van Chagalls gekruisigde Jezusfiguren over dat van de clown van Quint. En de opdracht om Hem na te volgen. Met dank aan George Crumb en/of Margaret Leng Tan.