Traces de mémoire

Dirck Volkertsz. CoornhertSemprun

De Openbare Bibliotheek Amsterdam heeft in de Top-10 van aanwinsten een verhandeling van de zestiende-eeuwer Dirck Volkertsz. Coornhert (zie afb. links) staan: Zedekunst, dat is wellevenskunste (1586). Een verhandeling over ethiek en het leiden van een deugdzaam leven. Ik heb, sinds Coornhert mij werd aanbevolen door de docente Nederlands aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam, altijd wat met hem gehad. In Wervelingen schreef ik eerder o.a. over hem (zomer 2008). Die column herplaats ik hier met toestemming.

Ik heb eigenlijk ook altijd al wat gehad met ‘lieux de mémoire’, het nationale geheugen dat herinneringen aan een locatie en het nationale erfgoed verbindt. In de Gevangenpoort zoeken naar het vertrek waar Coornhert gezeten heeft. In Rijnsburg staan in de kamer waar Spinoza z’n lenzen sleep en zijn Ethica schreef.
Daarom heb ik de discussie over De Boom van Anne Frank destijds met veel belangstelling gevolgd: een boom die ‘figureert in een wereldberoemde getuigenis’, zoals Bas Heijne het in een column in NRC-Handelsblad omschreef.

Heel concreet en beperkt(er) dan de Duitse invulling van het door Pierre Nora gemunte begrip ‘lieux de mémoire.’ In het Duits wordt het woord ‘Ort’ ook als metafoor gezien, waardoor het een hernieuwde kijk op de geschiedenis geeft. Zoiets als het Hebreeuwse woord ‘Makom’ – plaatsen en ruimten, reëel, abstract en imaginair binnen het joodse denken. Gelijk HaMakom, De Plaats, die tot Mokum werd, de eerste onder de plaatsen waar het veilig was.

Zou er niet zoiets als een combinatie mogelijk zijn? Peter van Zilfhout bracht me op het idee toen hij in het tijdschrift Locus berichtte over zijn bezoek aan de Nietzsche-Villa in Weimar. Hij had er zelfs het balkon betreden van waaruit Nietzsche, in een rolstoel zittend, de heuvels rondom had gezien. Zien wat Coornhert zag, zien wat Spinoza zag, zien wat Anne Frank zag, zien wat Nietzsche zag. Alle vier om verschillende redenen in hun bewegingsvrijheid beperkt.

Ik moest er allemaal aan denken toen ik in Friesland op het laantje stond dat Jan Mankes zo vaak heeft afgebeeld – een kunstenaar die door zijn lichamelijke beperking, letterlijk en figuurlijk, dicht bij huis moest blijven en er met andere ogen naar de werkelijkheid om hem heen (en in zichzelf) leerde kijken. Hij moest wel.
Daar staan riep het schilderij van Mankes in mijn herinnering op, daar staand kwam het schilderij tot leven. De kamer van Spinoza, het vertrek van Coornhert, De Boom van Anne, het balkon van Nietzsche en het laantje van Mankes hebben van zichzelf geen betekenis – die geef je er zelf aan. Zoals je aan een Makom een betekenis van vrijheid hecht zonder de zekerheid te hebben dat het waarheid is.

Die betekenis staat volgens Van Zilfhout óók voor het te boven komen van een verlies. Het verlies van (bewegings)vrijheid, het verlies van gezondheid. Van Zilfhout spreekt dan ook liever van ‘traces de mémoire’, sporen van herinnering. Over een bepaalde gevoeligheid, inlevingsvermogen voor de menselijke eindigheid en over poëtische herinnering.
Zoals ik in een herstellingsoord, liggend op mijn bed, als stadsmens heb leren genieten van de zon die op een beukenbast speelde en me opeens herinnerde wat Jorge Semprun (zie foto rechtsboven), overlevende van Buchenwald, in 1944 uitriep bij het zien van een eenzame beuk – naar men zegt de beuk van Goethe – op het terrein van dit concentratiekamp: ‘Wat een mooie zondag!’

Hoge kunst in brons gegoten?

SweelinckTijdens de uitzending van ‘Het Filosofisch kwintet’ op 28 juni 2015 werd gediscussieerd over het begrip Bildung. Op een gegeven moment riep Maarten Doorman op tot het erkennen van een canon. Dit werd onderschreven door Eugène Sutortius, mits deze maar niet star is.Over het begrip ‘canon’ hield ik in april 2012 een lezing voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie. Daarvan plaats ik hier het eerste, inleidende gedeelte.

 

 

Inleiding
Het begon allemaal in oktober 2006 – en het is nog steeds niet opgehouden, getuige de Groene Amsterdammer die begin maart 2012 opeens kwam met een zogenaamde zwarte canon, een canon van zwarte bladzijden uit onze geschiedenis.
In 2006 verscheen het rapport entoen.nu van een commissie onder voorzitterschap van Frits van Oostrum, historisch letterkundige aan de Universiteit van Utrecht. Het is een canon, die doorgaat als ‘de’ Canon van Nederland. D.w.z. – volgens Van Oostrum – datgene ‘wat we bij uitstek belangrijk vinden, en (…) aan nieuwkomers en volgende generaties als verplichte kennis(making) willen voorschrijven.’
Dat is nogal wat. Maar Van Oostrum haast zich in het voorwoord tot de Canon van de rooms-katholieke kerkmuziek in Nederland daaraan toe te voegen: ‘Steeds meer met de ambitie ook die andere betekenis van canon recht te doen: samenzang. Dus niet zozeer een wet, maar eerder een appèl.’
Dat moet ook wel, want de beer was los. Neem alleen het onderwerp ‘muziek’: muziek ontbreekt in deze Canon helemaal, al heet de canon ‘een culturele en historische canon’ te zijn, bestaande uit 50 vensters van belangrijke personen, creaties en gebeurtenissen. Daar hoort onze grootste componist Jan Pz. Sweelinck dus blijkbaar niet bij (zie afb.)

Duidelijk moge zijn dat de commissie zelf ondertussen heeft begrepen dat zij zich op glad ijs heeft begeven. Ondertussen wil zeggen: mede dankzij de toenmalige prinses Máxima die een vraagteken plaatste bij het concept ‘nationale identiteit’, – zo dit ooit valide is geweest.
Toch zou het woord ‘venster’ al veel kunnen zeggen; er wordt ons – en dat is in eerste instantie vooral de basisschoolleerlingen waarvoor de Canon is bedoeld – in principe geen spiegel voorgehouden, maar er worden vensters geopend. Dat zou samen moeten kunnen gaan met een minder defensieve en meer positieve benadering van de Canon. Opvallend in dit verband is, dat medelanders vaak wel positief op het verschijnen van de Canon hebben gereageerd.
Ook positief is, dat de commissie genegen is te luisteren naar kritiek. Zo is er sinds het verschijnen een nieuw venster, Christiaan Huygens, gekomen. De boekdrukkunst heeft daarvoor overigens plaats moeten maken, omdat het geen uitgesproken Nederlands fenomeen is en elders in de Canon al voldoende wordt belicht (de Statenbijbel, de Bleau-atlas).
Na het verschijnen van de Canon heeft de Boekmanstichting een apart nummer van hun periodiek Boekman aan het thema ‘canon’ gewijd. Aan dat nummer ontleen ik vervolgens de volgende karakteristieken.

Karakteristieken
In deze Boekman associeert Anita Twaalfhoven in haar redactioneel rond het woord ‘canon’: ‘Volgens Van Dale dient een canon als “leidraad” of als “richtsnoer” en is canoniseren “tot norm verheffen” (…). Maar (…) wie ervan uitgaat dat een culturele canon per definitie exclusief Nederlands dient te zijn, wijkt uit naar discussies rond nationale identiteit en nationalisme. Wie canoniseren bij voorbaat opvat als een poging om hoge kunst in brons te gieten, ziet het als een synoniem voor uitsluiting van populaire cultuur. En wie de canon als een dwingende handleiding ervaart, zet zich eerder schrap dan degenen die dit als een open handreiking benaderen.’
In deze Boekman wordt voor het volgende uitgangspunt gekozen: het zichtbaar maken ‘hoe sterk verschillende culturen met elkaar zijn verweven, bijvoorbeeld door kunstwerken te kiezen waarin die culturen samenkomen.’ Een lovenswaardig streven mijns inziens. Sweelinck zou ermee gelegitimeerd zijn geweest!

Eén van de eerste bijdragen is van de hand van Thijs Adams. Hij neemt de canonvorming in Finland als voorbeeld. ‘Alle Finnen houden van Sibelius. En misschien wel het allermooiste stuk van Sibelius is Finlandia (…). Paradoxaal is dat die conservatieve Finnen niet wegblijven wanneer in hun Nationale Opera door hun professionele orkesten hedendaagse Finse muziek wordt gespeeld [ik denk aan Kaija Saariaho, vS]. Hoe steviger hun kern, hoe meer beweging in de periferie zij verdragen. Daarom is Finland in zoveel opzichten een innovatief land. Vernieuwingen aan de rand hebben aan de kern tot nu toe geen afbreuk gedaan.’ Je hoort hem denken: ‘Kom daar in Nederland maar eens om!’

Eén van de volgende schrijvers is Francois Stienen, die nog een ander argument in de strijd gooit. Namelijk: bij het samenstellen van – hij noemt als voorbeeld – de Nederlandse filmcanon, had alleen uitgegaan moeten worden van ’de cinematografische kwaliteit’.
Dat is een terugkerend probleem: ga je bij literatuur bijvoorbeeld uit van het spel met de taal of van de inhoud, – van vorm of vent? Of mag het allebei en kom je dan niet automatisch uit bij tijd- en contextgebonden criteria?
Of, zoals Marita Mathijsen in een nawoord bij een recente uitgave van Multatuli’s Max Havelaar het canonieke van dit boek onder meer verbindt met de rol van Multatuli: hij werd een ijkpunt van politiek correct gedrag. Ikzelf opteer overigens zelf voor contextgebondenheid.

Deze contextgebondenheid sluit aan bij de wat Paul Schnabel noemt ‘de symbolisering van een culturele en historische gemeenschap.’ Waarbij opgemerkt dat [ik citeer Schnabel] ‘in de Nederlandse historische canon overigens wel een interessante poging is gedaan om met thema’s als “slavernij” en “jodenvervolging” ook ruimte te maken voor schaamte en schuld.’ Wat niet wegneemt, dat de Groene Amsterdammer als gezegd toch met een ‘zwarte canon’ kwam.

Peter Hecht, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, hanteert in dit verband het begrip ‘opgerekte canon.’ Want, schrijft hij, ‘toen was daar ineens het verlangen naar een bredere canon die weinig of niets met kunst en kennerschap en een oordeel over kwaliteit te maken heeft. Het begrip werd opgerekt tot “het geheel van teksten, beelden, kunstwerken en gebeurtenissen dat het referentiekader is van een gedeelde cultuur of religie” en Rembrandt kreeg gezelschap van de Zilvervloot en Sinterklaas. De canon lijkt nu te zijn geworden wat een Nederlander kennelijk moet weten om zijn plaats in Nederland te verdienen.’ Of misschien, positiever gezegd: tot een lijst van erfgoed.

Ik heb de eerste bijdrage aan Boekman tot het laatst bewaard. Die eerste bijdrage is van Merlijn Schoonenboom. Hij maakt een onderscheid tussen canons en lijstjes die je ‘vroeger gewoon top-10 of top-40’ zou noemen, ‘maar sinds 2006 zonder schroom tot “canon” zijn verheven.’ Als voorbeeld noemt hij dan Komrij’s Canon uit 2008, ‘met 100 onontkoombare gedichten die iedereen in zijn bagage zou moeten meedragen.’ Hij zet ook zo zijn vraagtekens bij een canon die tegelijk open is voor discussie. Typisch Nederlands, vindt hij dat. Het zij zo.