Het tegendeel van een zegen

Rinse Reeling Brouwer (foto), emeritus hoogleraar en predikant, hield op 7 februari jl. een overweging tijdens een dienst in de Amsterdamse Nassaukerk die mij raakte.
De schriftlezingen van die zondag waren genomen uit Leviticus 26:3.11-17 en Marcus 1:20-39.

Ds. Reeling Brouwer begon met te zeggen, dat de verzen uit Marcus aansloten op Marcus 1:21-28, waarin Jezus van Nazareth een confrontatie had met een onreine geest. Die confrontatie zette zich volgens hem voort in de ontmoeting met de schoonmoeder van Simon, die met hoge koorts op bed ligt.
Die koorts is het tegendeel van een zegen, zoals die in Leviticus 26:16 wordt omschreven. Je kunt zo ‘niet de mens zijn waar de God van Israël, die de Thora schenkt, op uit is. Ze branden in je, in je geweten, ze jagen je op en je vindt geen rust’.

Dat woord ‘branden’ bracht Reeling Brouwer op het feit, ‘dat het evangelie van Marcus gestempeld is door de ervaring van de opstand tegen Rome (66) (….). Jeruzalem stond in lichtelaaie, één grote brand, een uitslaand vuur’. Het woord ‘opstand’ leidt vervolgens naar de omschrijving ‘extremistisch streven’ die weer tot een koortsaanval leidt.

Even verderop in zijn overweging, wees Reeling Brouwer erop, dat wanneer je het boekje Marcus dicht hebt geslagen, je eigenlijk (volgens goed joods gebruik) weer meteen opnieuw moet beginnen. Wat dan opvalt, is ‘een aantal spiegelingen en parallellen, waarvan de ene beweging gestempeld is door tegenstand, dood en begrafenis, en de andere beweging (…) door Jezus’ gezag over boze geesten’.

Revolusi
Bij dat alles moest ik zowel qua inhoud als woordkeuze denken aan een passage uit David Van Reybroucks Revolusi, dat ik met Kerst van vrienden cadeau kreeg. En wel aan de passage over de zogeheten pemoeda’s, ‘de jeugdige geesten [vet EvS] die vanaf 1942 gepolitiseerd waren door de Japanse propaganda, die vanaf 1943 gemilitiseerd werden [en]  die vanaf 1944 vreselijk honger geleden hadden en die het in 1945 volkomen zat waren’ (p. 279).

Hier is niet sprake van spiegelingen en parallellen, maar van wat Reeling Brouwer het in een tegendeel verkeren noemde. Je ziet in de beschrijving van Van Reybrouck de opstand zoals die zich in 66 in Jeruzalem moet hebben voltrokken voor je: ‘opengesperde ogen, verwilderde blik, heilige razernij’ (p. 280).

De auteur haalt gedeelten aan uit het gedicht ‘Wij staan paraat’ (1944) van Chairil Anwar, waaronder:

Alles staat in brand!
Alles staat in brand!

Vrienden, vrienden
Wij zullen opstaan, vol wilskracht

Maar dat is een andere opstand dan die waar de predikant het over had: ‘Hij wekte haar op; toen verliet het koortsvuur haar, en zij is hen gaan dienen’. Waarna hij concludeert: ‘Het is geschreven bij wijze van traumaverwerking ná de catastrofe’.

Je kunt het verhaal van Van Reybrouck lezen als een verhaal dat uitloopt op de dood, en het evangelie ‘van daaruit verstaan als het aanwijzen van een nieuwe weg uit de dood vandaan’. Moge het zo zijn.

 

Link naar de preek van Rinse Reeling Brouwer: https://www.rinsereelingbrouwer.nl/7-februari-marcus-129-39-nassaukerk-2/
Foto ontleend aan de website van de Protestantse Theologische Universiteit.

Bewustwording of bevrijding?

Op 4 november 1995 hield Bettine Siertsema (foto rechts) in het kader van het leerhuis ‘Vijftig jaar: bevrijd waarvan en waartoe?’ van de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie in de Thomaskerk te Amsterdam een lezing over de tweede generatie joodse schrijvers in Nederland.
Naar aanleiding van zowel het overlijden van Carl Friedman (foto links) – die zij ook enkele keren noemde – en 75 jaar bevrijding herplaats ik hier in iets aangepaste vorm het verslag dat ik over dat leerhuis schreef in
Bekirbénoe, december 1995.[1]

Bettine Siertsema, inmiddels assistent professor aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, onderscheidde drie thema’s die in Brief aan mijn moeder (1974) van Ischa Meijer eigenlijk al aanwezig zijn. Het gaat om: het zwijgen over de Tweede Wereldoorlog, het sociale isolement en de bindingsangst van zowel de overlevenden als hun kinderen.

Het grote zwijgen
Veel van Meijers thema’s en motieven vind je, al dan niet vanuit een andere achtergrond, elders terug. Het eerste thema, het grote zwijgen bijvoorbeeld. Zwijgen om, zoals in zijn geval, niet pathetisch te lijken. Of, omdat de Tweede Wereldoorlog lang geen gespreksonderwerp was daar de vader deed alsof de kinderen alles al wisten, zoals Jessica Durlacher beschrijft in de door haar samengestelde bundel De olifant en het joodse probleem (1994).
Het omgekeerde van zwijgen komt echter ook voor: over elke maaltijd of elk feest hangt de schaduw van verhalen over de oorlog, zoals Carl Friedman vertelt in haar Tralievader (1991). Op die manier wordt oorlogsdreiging en antisemitisme voor kinderen zonder nog al teveel besef van tijd reëel en actueel.
Bettine Siertsema concludeerde op grond van de literatuur, dat praten echter uiteindelijk wel eens minder belastend zou kunnen zijn dan zwijgen over de oorlog. Of er echter nu werd gepraat of gezwegen over het grote leed, de kinderen voelden dat hun kleine kinderleed daarbij in het niet viel en vaak niet aan bod kwam, getuige bijvoorbeeld de verhalen van Miriam Guensberg (in: Foto Jozef, 1989).

Sociaal isolement
Het tweede thema dat de spreekster aansneed, het sociaal isolement, komt duidelijk naar voren in het werk van niet alleen de hiervoor genoemde Carl Friedman, maar ook in dat van de bij een groter publiek bekende auteur Frans Pointl (De kip die over de soep vloog, 1989).

Bindingsangst
Het derde thema, bindingsangst, is terug te vinden in de literatuur van oorlogskinderen zoals Chaja Polak (Zomaar een vrijdagmiddag, 1989 en: Stenen halzen, 1994) en Judith Herzberg (de toneelstukken Leedvermaak, 1982, Rijgdraad, 1995 [en Simon, 2001]). In het werk van Arnold Grunberg (Blauwe maandagen, 1994) komt het thema in het kwadraat naar voren, onder andere in de beschrijvingen van bordeelbezoekers.
Bettine Siertsema rekende ook het steeds veranderen van baan en het niet afmaken van opleidingen onder bindingsangst. Het omgekeerde, het zich-begraven-in-het-werk, zoals Ischa Meijer deed, komt in de werkelijkheid ook veel voor, mede getuige de gesprekken die zijn opgenomen in het boek In twee werelden (1985) van Helene Weijel.

Tradities
Veel joden die Weijel interviewde, hechten niet aan religie, maar aan traditie – in wezen een vierde, en recent te onderscheiden motief, waarbij tussen twee haakjes werd opgemerkt dat de staat Israël in de literatuur van de tweede generatie nauwelijks een thema vormt. Wat niet wil zeggen, dat het niet leeft. De spanning tussen religie en traditie komt andere naar voren in Supertex (1991) van Leon de Winter en Mendels erfenis (1990) van Marcel Möring.
Het jodendom is méér dan de Tweede Wereldoorlog. Verschillende schrijvers doen daarom ook een poging het leed te ontmythologiseren.

Conclusie
De bewustwording van het jodendom als religie en traditie, zou je bevrijding kunnen noemen: het leren leven vanuit de traditie, zoals Andreas Burnier ontdekte. Bevrijding in het leven van de auteurs zelf, is in de literatuur moeilijker terug te vinden, maar je zou onder meer kunnen opmaken uit de mildheid in het latere werk van Ischa Meijer, zoals het verhaal Jammer uit de bundel Mijn lieve ouders (1993).
Met het noemen van deze onvergetelijke naam uit de Nederlandse literatuur waren wij weer bij het begin van deze door de aanwezigen zeer gewaardeerde lezing. Maar ook de derde generatie doet al van zich spreken. Al was het alleen maar als toneelfiguren, zoekend naar hun ‘roots’, zoals in de Leedvermaak trilogie van Judith Herzberg.

[1] Sinds 2005 is bekend dat Friedman niet-joods is. Haar uitgever, Van Oorschot, plaatst n.a.v. haar overlijden daarover het volgende op zijn webstie: ‘In 2005 kwam Carl Friedman in opspraak vanwege haar veronderstelde maar niet werkelijke joodse afkomst. Haar werk speelt zich af tegen de achtergrond van de jodenvervolging en autobiografische elementen, waaronder een vader met kampverleden, spelen een belangrijke rol. De veronderstelling dat zij joods was heeft Friedman nooit ontkend en dat is haar sterk verweten. Feit is dat haar katholieke vader in een Duits concentratiekamp heeft gezeten. Zelf heeft Friedman nooit op de aantijgingen gereageerd.’
De foto van Friedman is ontleend aan de website van haar uitgever, die van Bettine Siertsema aan haar profiel op die van de Vrije Universiteit.