Hard hout

In Filosofie Magazine (oktober 2018) staat een column van Thijs Lijster, universitair docent kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen (zie foto, afkomstig van de RUG) onder de kop ‘Hard feit?’ Hij stelt dat er een roep is naar de Waarheid en een afkeer van ‘relativisten en sociaalstructivisten- en deconstructivisten als Rorty, Latour en Derrida’.

Lijster moet denken aan een boek dat hij in zijn studententijd las: Death and Furniture van de hand van Derek Edwards, Malcolm Ashmore en Jonathan Potter. De titel verwijst naar de twee wapens van een realist: het slaan en kloppen op meubels (‘BAM! Kijk, deze tafel is toch echt – een “hard” feit’) en de dood (‘Als je van een berg springt, ben je toch gewoon dood?’).

De drie auteurs laten ‘echter zien dat geen van deze argumenten de constructivist van zijn stuk zal brengen’, aldus Lijster. Het gaat om argumenten. ‘De tafel op zichzelf is geen weerlegging van het relativisme; die moet daarvoor eerst opgetuigd worden met betekenis, een betekenis die de realist eraan geeft (de tafel “betekent” hardheid’).’ Het andere wapen, de dood, laat ik hier rusten.

Ik moest toen ik deze column, die eindigt met de constatering dat we zelf de feiten moeten maken, hetgeen ‘onderzoek, onderhandeling, overtuiging’ vergt, denken aan een verhaal dat ik enkele weken terug hoorde. Het ging over een cursus waarin jonge kinderen werd geleerd, dat een stuk hout helemaal niet zo hard hoeft te zijn als het er uitziet. De kinderen werd geleerd dat ze, met geloof in zichzelf, een stuk hout zomaar doormidden kunnen slaan. Ze mochten niet eerder van de cursus af, als ze het niet op z’n minst een keer was gelukt.

Hout staat hier net zomin als de tafel bij Lijster voor hardheid. Ook hier werd het stuk hout opgetuigd met een betekenis die eraan werd gegeven. Maar dan een andere dan in de filosofie. Namelijk die van het geloof, in eerste instantie in zichzelf maar misschien – begreep ik – ook steeds wel een stapje verder: geloof in datgene dat áchter het stuk hout ligt, namelijk vertrouwen (pistis in het Grieks, emoena in het Hebreeuws). ‘Een ander register, een andere dimensie’ noemde Beatrice de Graaf het (bij De wereld draait door, 8 oktober jl.). Het is ‘de hoop op datgene dat je niet kunt weten, maar waarop je vertrouwt’.

Zou dat het verschil zijn tussen de houten tafel en het stuk hout op de tafel? Tussen filosofie en geloof? Het zou zomaar kunnen.

https://www.filosofie.nl/nl/artikel/50115/thijs-lijster-hard-feit.html

Urbex fotografie van Jorieke Westhoff

Jorieke WesthoffHet BovenIJ ziekenhuis in Amsterdam heeft regelmatig tentoonstellingen die de moeite waard zijn; ik ga er meestal even heen om ze te zien en loop er dan langs, tussen bezoekers en personeelsleden die er weinig oog voor hebben. Wat te begrijpen is: je doet je werk en hebt de kunstwerken al dan niet eerder bekeken, of je hoofd staat er helemaal niet naar, op weg van of naar een doktersbezoek.

Het ziekenhuis heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het AMC, geen bedrijfscollectie. Het zijn meestal verkooptentoonstellingen die te zien zijn. Tot eind december van dit jaar worden op de begane grond foto’s getoond van Jorieke Westhoff. Zij legt onder de noemer urbex fotografie vergane glorie vast. Van een verlaten kerk, een spookachtig kasteel, en leegstaande ziekenhuizen (zie afb.). ‘Groot is de voldoening’, zegt zij op de website van het BovenIJ ziekenhuis, ‘als ik dat in beeld kan brengen zodat het verval en de eigenheid van dit gebouw de buitenwereld kan bereiken’.

Wat voor bedrijfscollecties betreft, geldt ook voor exposities in ziekenhuizen: ‘Over weinig zaken in de kunstwereld bestaan zoveel vooroordelen’, schrijft Edo Dijksterhuis vandaag in dagblad Trouw in een artikel over bedrijfscollecties naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN). ‘Ze zouden vooral fleurige, veilige werkjes bevatten’. Niet dus. Foto’s van vervallen ziekenhuizen tonen ín een modern ziekenhuis, mag op z’n minst opvallend heten.

Eén van de belangrijkste redenen om een bedrijfscollectie te starten, was volgens het artikel van Dijksterhuis ‘verbetering van het werkklimaat’. Aanvankelijk waren werknemers her en der sceptisch, maar ze gaven zich snel gewonnen. En waar geen bedrijfscollectie was – zoals bij één van mijn vroegere werkgevers -, was er in ieder geval geld om bij de plaatselijke Kunstuitleen werk te lenen en in het kantoor op te hangen of neer te zetten. En ja, dat bevestigt achteraf wel een beetje één van de vooroordelen die ten aanzien van bedrijfscollecties óók geldt: alleen in de directiekamer en die van afdelingshoofden, ‘onzichtbaar voor het gewone volk’ aldus Dijksterhuis.

Terug naar de foto’s van Jorieke Westhoff. Die passen in de gewoonte om ‘collecties steeds vaker in te zetten als onderdeel van de communicatie of wat tegenwoordig branding heet. Een Marlene Dumas in de boardroom is een mooi conversation piece dat onderhandelingen op weg kan helpen. Vooral bedrijven die geen fysieke producten maken, kunnen via hun kunstbezit laten zien waar ze voor staan. “De mens” is zo een veelvoorkomend thema in de verzameling van banken’.

De zieke mens die, hopen we, beter kan worden gemaakt, is het subject van een ziekenhuis. Zowel de patiënt als het ongetwijfeld ook het BovenIJ ziekenhuis zelf – een fusie tussen het Ziekenhuis Amsterdam-Noord (ZAN), het Juliana ziekenhuis (JZ) en het Luthers Diakonessen ziekenhuis (LDI) – lopen tegen de bezuinigingen op de zorg aan. Je zou haast denken dat het een statement van het BovenIJ ziekenhuis is om de foto’s van opgeheven ziekenhuizen tentoon te stellen: stop de bezuinigingen op de zorg! Zo tussen foto’s van teloor gegane adel en gesloten kerken in. Bewust gedaan of niet: je moet maar durven!

http://www.fotojorieke.nl