Hanna Beekhuis (1889-1980)

Hanna BeekhuisBij het verschijnen van Eva Rovers’ biografie van Helene Kröller-Müller, De eeuwigheid verzameld, plaats ik hier een gedeelte uit een lezing over de componiste Hanna Beekhuis (zie afb.), die ik in december 1986 hield in de Openbare Bibliotheek van Leeuwarden. Beekhuis is verbonden aan de kring rond Kröller-Müller en H.P. Bremmer, Kröller-Müllers adviseur op het gebied van kunstaankopen.

De ik-verteller uit de novelle Slecht zicht van Alfred Kossmann, kan zich aan het begin maar geen beeld kan vormen van één van de hoofdpersonen van het verhaal: Alexander Kievoet.

Zo verging het mij eerst ook, toen ik mij een beeld wilde vormen van de componiste en pianiste Hanna Beekhuis. Wat ik hier vertel, heeft dan ook alles te maken met een beeldvórming die sterk persoonlijk is gekleurd. Of wie weet: wel íngekleurd.
Voor dat laatste heb ik willen waken, door zo nauwkeurig mogelijk na te gaan met wie Hanna Beekhuis in haar leven contact heeft gehad, wat haar zo boeide in die contacten, en wat de weerslag daarvan is geweest op haar werk.

Hanna Beekhuis studeerde onder meer bij Dirk Schäfer. In deze studietijd, en ook nog daarna, vormde zij een trio met de bekende zangeres To van der Sluys en de niet minder befaamde fluitist Johan Feltkamp. De man aan wie Willem Pijper zijn fluitsonate heeft opgedragen.
In de tijd dat ze bij To van der Sluys over de vloer kwam, leerde Hanna Beekhuis ook allerlei bekende personen uit de wereld van de beeldende kunst kennen. Iemand die in die tijd een grote invloed op haar heeft uitgeoefend, is de schilder Isaacson geweest. De man die beschouwd zou kunnen worden als de ontdekker van Vincent van Gogh. Beekhuis moet zich met name aangetrokken hebben gevoeld tot de Van Gogh uit de ongecompliceerde Arles-periode, die vijftien maanden duurde.

Met het trio gaf zij concerten in het bovenzaaltje van gebouw Heystee in Amsterdam. Op één van die concerten speelde Hanna Beekhuis haar Bretonse Ballade voor piano. Te midden van het Bretonse schilderwerk van Herman Friedrich Bieling, één van haar vrienden. Beekhuis heeft enkele schilderijen van hem (waaronder een portret dat hij van haar maakte) in huis gehad. Navraag leerde, dat zij dit werk heeft vermaakt.

De affiniteit met schilders en schilderkunst zat in de familie Beekhuis. Haar oudere zuster Geestje, die voor de Tweede Wereldoorlog is gestorven, was bijvoorbeeld schilderes. Via familiebanden was de familie Beekhuis verbonden aan de bekende H.P. Bremmer, de man die een grote invloed heeft gehad op mevrouw Kröller-Müller. Bremmer was een kunstestheticus, die zich volledig concentreerde op het kunstwerk zelf en – daaruit blijkt wellicht zijn invloed op Hanna Beekhuis – een grote voorliefde had voor de ideeën van Spinoza en … de schilderijen van Van Gogh.

De invloed van Spinoza bleek vooral uit de gedichten van Hanna Beekhuis. Helaas is daar niet veel van teruggevonden. Eén voorbeeld, Lichtstraal, werd door Jan de Boer, een vriend van Hanna Beekhuis geciteerd in zijn In memoriam in Mens en melodie (juni 1980). Prof. Henrard uit Leuven heeft in zijn boek over Spinoza proberen aan te tonen, hoe het komt dat tijdgenoten van Hanna Beekhuis als Frederik van Eeden en P.N. van Eyck zowel een voorliefde voor Spinoza als Van Gogh hadden. Hij vindt de linking pin in het humanitaire expressionisme.

Het humanitair expressionisme lijkt mij wat ver van Hanna Beekhuis verwijderd. Immers: zij had een voorliefde voor Van Goghs Franse periode. Een voorliefde voor Oosterse literatuur en kunst, die Henrard als tweede overeenkomst tussen Spinoza, Van Gogh en de spinozisten noemde, is ook kenmerkend voor Hanna Beekhuis. Zij schreef bijvoorbeeld een lied, Les deux flûtes op tekst van Li-Tai-Po, en werkte samen met de Javaanse danser Raden Mas Jodjana, met wie ze tournees heeft gemaakt.

Deze belangstelling heeft Hanna Beekhuis ook gemeen met Jung, de bekende psychiater. Het is bekend dat zij hem gedurende de Tweede Wereldoorlog – toen ze in Zwitserland woonde – heeft leren kennen. Volgens de hiervoor genoemde Jan de Boer waren ze bevriend en werkten ze samen. De Boer schrijft, dat Jung haar ‘als zijn assistente soms ook zelfstandig werk toevertrouwde.’ In de ETH-Bibliotheek in Zürich kan in het familie-archief van Jung de correspondentie worden teruggevonden tussen hem en Hanna Beekhuis. Het zijn achtentwintig brieven uit de periode 1941-1960, een jaar voor zijn dood.

De familie Beekhuis komt terug in een jaren na deze lezing uitgegeven biografie over H.P. Bremmer van Hildelies Balk (2006). Hij stond ook centraal op een tentoonstelling, De Kunstpaus H.P. Bremmer in het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Bremmer staat natuurlijk, maar dat wisten we al, ook afgebeeld op de beroemde portretgroep van Charley Toorop (collectie Kröller-Müller Museum). Samen met de biografie van Eva Rovers valt zo een mooi tijdsbeeld te reconstrueren van een tijd waarin Hanna Beekhuis haar partij mee blies.

Omdat het een naam mag hebben

Huijbregts_Allard PiersonEen gedicht dat de receptie van een serie schilderijen uitlegt, kan dat? Of eerder: de uitleg van een gedicht dat … enzovoort.
Het gedicht was ‘Nalatenschap’ uit de bundel Het Levend Monogram (1955) van Ida Gerhardt.
De uitleg was van prof. dr. Martien Brinkman, auteur van onder meer Hun God de mijne? (2014), tijdens een leerhuisavond in Amsterdam.

En de schilderijen waren door Marc-Marie Huijbregts samengebracht uit het depot van het Van Abbemuseum in Eindhoven voor een zaal in het De Wereld Draait Door Pop-Up Museum in het Allard Pierson Museum Amsterdam (zie afb. linksboven, uit een NRC Handelsblad Special). Dat zijn alle ingrediënten op een rijtje.

Huijbregts koos voor portretten van mensen als Edgar Fernhout, Charley Toorop, Leo Gestel en Jan Sluijters. En een prachtige Permeke: De zaaier (1935, zie hieronder). Hij verantwoordt zijn, volgens recensent Hans den Hartog Jager (NRC Handslesblad Special) ‘een tikje tuttige’ keuze met: ‘Kunst gaat voor mij over communicatie. Je kijkt en voelt de energie van een kunstenaar. Bij portretten komt daar nog een energie bij, die van de geportretteerde. En dan ben je met z’n drieën.’

Die toelichting raakt aan het gedicht van Ida Gerhardt:

Dappere morgenhaan                             Permeke_De zaaier
gij bode van het licht,
haan van een Hollands erf:
zag mij het dagwerk aan.
En ben ik heengegaan,
meld dan, hoog opgericht,
met roep en vleugelslaan
aangaande mijn versterf:
dat het is opgestaan.

In de kopie die Martien Brinkman hiervan voor ons had gemaakt, had hij twee regels onderstreept (zie boven). Daaruit las hij (‘het is maar een hint die ik voor beter geef’) dat wat is opgestaan, de mens kan zijn en/of het levenswerk van de dichter. De lezer (de derde, zou Huijbregts zeggen) ontleent door het lezen van dit gedicht zijn/haar opstandingskracht aan Gerhardt.

Je geïnspireerd weten is volgens Brinkman de diepste religieuze ervaring die het werk van de dichteres kenmerkt. Het gaat van donker naar licht. Van de donkerte aan de onderkant van het schilderij van Permeke – wiens schilderij ook nog eens De zaaier’ heet! – naar de lichte wolkenlucht, en naar het licht dat doorbreekt op de gezichten van sommige geportretteerden. Omdat wij worden aangekeken en een naam mogen hebben:

Een diep verdriet dat ons is aangedaan
kan soms, na bittere tranen, onverwacht
gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,

op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag.
Waar onderdijks een stukje moestuin lag
met boerse rijtjes primula verfraaid,

zag ik, zondags getooid, een kindje staan.
Het wees en wees en keek mij stralend aan.
De maartse regen had het ‘s nachts gedaan:
daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.

Tentoonstelling in het Allard Pierson Museum: van 29 januari t/m 25 mei 2015: http://www.allardpiersonmuseum.nl/te-zien-te-doen/nu-te-doen/content/tentoonstellingen/2015/01/dwdd-popup-museum.html
De inleiding van prof. dr. Martien Brinkman verschijnt op de website van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie: 
http://www.leerhuisamsterdam.eu