Geel en blauw maakt groen?

Vanmiddag vond het negende Oecumenische Liedfestival plaats, georganiseerd door Stichting de Vertaalslag. Dit keer in de Bergkerk te Amersfoort. Met een, als altijd (over)vol programma, waaronder een afsluitende vesper en nu ook de instelling van de Willem Vogel-prijs.

Begonnen werd met het zingen van een aantal liederen op voornamelijk teksten van Sytze de Vries, door hemzelf van kanttekeningen voorzien. Het thema was ‘Het veranderende Godsbeeld in het kerklied.’
Daarna hield ds. Dietmar Dohrmann (Gartenkirche, Hannover) een mooie inleiding op twaalf iconen van Nikola Saric, die de weg van Christus verbeelden. Dat wil zeggen: op de elf iconen die in de kerk waren opgehangen, omdat er één per ongeluk in Hannover was achtergebleven. Iconen-schilderkunst heeft de naam stil te zijn blijven staan, maar niets bleek minder waar. Saric had de kunst geleerd in Belgrado, waar men juist vernieuwing voorstaat. Eigenlijk wil hij graag, vertelde Dohrmann, ‘dat de schilderijen in een kring worden opgehangen, zodat je van het laatste automatisch weer naar het eerste schilderij wordt gebracht’ – zoals de joden Tenach lezen; op het moment dat zij aan het eind zijn toegekomen, wordt het eerste vers (In den beginne) aansluitend gereciteerd. Je zou haast zeggen dat er méér joods in de iconen verstopt zat: ‘Op de meeste schilderijen mengen de vier hoeken zich met een eigen thema in het centrale beeld, en vormen daarop zoiets als een commentaar’ – gelijk de Talmoed, en het Nieuwe Testament, een commentaar vormen op Tenach.

Na een lange pauze, waarin de iconen rustig konden worden bekeken, de innerlijke mens kon worden gelaafd en boeken en cd’s worden aangeschaft, werd het tijd voor het zingen van een drieluik op teksten van Sytze de Vries en met orgelbegeleiding van neef Christiaan de Vries. Bij de viering van de Maaltijd van de Heer/Eucharistie door de aanwezigen (Rond een beker en een bord), het Vocaal Theologen Ensemble o.l.v. invaller Cees-Willem van Vliet (Voor even rust het brood in onze hand) en aanwezigen (Nu het brood is rondgegaan).
Het effect dat de drie prijswinnende zettingen van deze teksten op mij had, was een beetje het omgekeerde effect van wat de iconen maakten. Op één lied na, waarover straks meer.

De jury (Christiaan Winter, Hugo Vogel, Janieke Bruin en Eric Versloot) had, bij monde van Christiaan Winter, vooral gelet op: de algemene muzikale indruk (hoe het verhaal werd verteld), de ambachtelijkheid, de stemvoering van de verschillende partijen, de verhouding tekst/muziek, de memorabiliteit, of de triptiek een eenheid vormde (alsof er onderweg niets met je gebeurt) en of het uitvoerbaar was. En dus niet of de muziek vernieuwend was! Dat heeft zeker als zijnde gedateerd modernistisch afgedaan. Over stilstaan gesproken …

De uitslag liet zich dan ook eigenlijk wel raden: een prachtige, vernieuwende melodie van Dirk Luijmes (zie foto hierboven, geel stembriefje voor de publieksprijs) kreeg de derde prijs en een schamele € 250,–, een Anglicaans-achtige melodie van Leonard Sanderman de tweede en de eerste prijs werd gewonnen door de meest traditionele (met reminiscenties aan het gregoriaans in het middendeel, rood stembriefje) van Aart de Kort, organist van de Kathedraal H.H. Laurentius en Elisabeth in Rotterdam. En wat vond het publiek het mooist? Drie maal raden! De Anglicaans-achtige melodie (blauw stembriefje). Jammer, jammer, jammer.

De onvolprezen Carl Nielsen

Carl NielsenJaren geleden was ik met vakantie in Kopenhagen. Ik had de hele dag rond gesjokt en voelde me eigenlijk te moe om ’s avonds nog naar een concert in Tivoli te gaan, waar ik al een kaartje voor had gekocht. Ik had nog niet gegeten en ontdekte tot mijn grote schrik, dat het concert al om half acht begon. Maar wat ben ik blij dat ik tóch ben gegaan! Het concert betekende mijn kennismaking met onder meer de muziek van de Deense componist Carl Nielsen (1865-1931, zie foto), wiens werk ik sindsdien in mijn hart draag. Ik laat weinig kansen onbenut om zijn muziek in de concertzaal te beluisteren. Vanmorgen was zo’n kans: in de serie Het Zondagochtend concert in het Amsterdamse Concertgebouw speelde Nikolaj Znaider met het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Andrey Boreyko het Vioolconcert op. 33 (1911).

Eén van de vele bazen die ik bij mijn oud-werkgever heb versleten, fronste haar wenkbrauwen toen ik eens vertelde dat ik gek was op de muziek van Nielsen. Ze kon er zich, verzot als ze is op ‘echt’ moderne muziek, niets bij voorstellen. Die voorliefde berust dan ook op andere elementen, die Dirk Luijmes in het programmablaadje van vanmorgen omschreef als: ‘een eigen stijl, met vaak elementaire melodieën, classicistische uitgangspunten, waarbij hij regelmatig progressieve uitstapjes maakte over de grenzen van de tonaliteit’.

Wat mij in het genoemde Vioolconcert aanspreekt is de ingetogenheid ervan: een zacht spelende solist, nog zachter begeleidende strijkers. Maar pas op: dan denderen de hoorns er opeens tussen door, of slaat de paukenist er dwars doorheen. Ook dát is de Nielsen waar ik van houd. Dan is zijn concert weer uitbundig, zonder overigens de extase te bereiken van de Sinfonia espansiva uit hetzelfde jaar dat ik destijds in Kopenhagen hoorde. Of lag dat ook een beetje aan dirigent Andrey Boreyko? Niets ten nadele verder van deze uitvoering, met een geweldige solist die dan weer neigde naar de concertmeester (‘nu mogen jullie weer’) of zich wendde naar de hobo waarmee hij een duet speelde.

Het Radio Filharmonisch Orkest kon ook in de door Boreyko samengestelde suite uit Tsjaikovski’s Doornroosje laten horen wat het in huis had: een mooie orkestklank met fraaie soli door fluit, klarinet en harp.

Deze uitvoering van Nielsen vormde een mooie bijdrage aan het jaar waarin de muziekwereld zijn honderdvijftigste geboortedag herdenkt. Voor een meestal muisstil luisterend publiek (inclusief kinderen!), dat één keer vanwege het opstekende gekuch door de dirigent vriendelijk tot de orde werd geroepen in een stempauze tussen twee delen van het vioolconcert. Gevolgd door een kwinkslag van de solist. Dat is ook het zondagochtend concert.