Typisch Scandinavisch?

FossegrimIn 1986 hield ik voor de Vereniging Vrienden Frysk Orkest een lezing over Scandinavische orkestmuziek. T.g.v. de aanstaande tentoonstelling Munch : Van Gogh, waarbij ook ruim aandacht aan Scandinavische muziek zal worden geschonken, plaats ik hieronder een gedeelte hieruit.

Laten we beginnen met het gegeven voor een verhaal. Een Noors volksverhaal over een fossegrim (zie afb.): een muzikale geest. Hij woont bij één van de meest bruisende watervallen in midden Noorwegen, stel ik mij zo voor. En zijn instrument is de Hardangerviool, de viool uit het gebied van één van de mooiste fjorden: het Hardangerfjord. De fossegrim speelt bij voorkeur ‘s avonds, als het donker is.

Héél mooi, speelt hij. Iemand die het hoort, blijft onherroepelijk luisteren tot hij klaar is. Wie graag les bij de fossegrim wil nemen, moet op drie opeenvolgende donderdagavonden bij de waterval komen. Om dan, het gezicht afgewend, een wit geitje in het water te gooien. Vindt de watergeest het geschenk te klein, dan leert hij zijn leerling alleen het stemmen van de viool. Op zich al heel bijzonder, want de stemming van de Hardangerviool is anders dan die van onze viool: a-d-a-e in plaats van g-d-a-e. Nog afgezien van de mee resonerende snaren. Maar was het geschenk genoeg, dan gaat de leerling met bloedende vingers naar huis. Na drie lessen kan het wel eens gebeuren, dat de leerling zó mooi speelt, dat de bomen op de glooiende oever een rondedans maken en de waterval ophoudt te stromen …

Dit is een Noors gegeven. Maar soortgelijke bouwstenen tref je ook in andere Scandinavische volksverhalen aan.
En onder Scandinavië versta ik in dit verband: Zweden, Denemarken, Noorwegen en Finland. De vraag is: wát is er nu zo kenmerkend aan deze muziek.

Zweden
De grootste Zweedse componist uit de negentiende eeuw was Franz Berwald, een tijdgenoot van Schumann en Mendelssohn. Maar zijn muziek wijst verder terug én verder vooruit. Terug naar Beethoven, zoals in zijn septet, en Hadyn, zoals in de inleiding tot zijn symfonie in D (Capricieuse). En vooruit naar Rossini’s operastijl, en de vormen en harmonische wendingen van Berlioz, die hij in Parijs heeft ontmoet.
Zijn werk heeft een diverterende, flitsende inslag met meesterlijk geïnstrumenteerde, kostelijke invallen. Hij is de man van de vlugge delen. Niet van langzame adagio’s. In zijn bekendste werk, de Symfonie singulière (1845) is – net als in Brahms’ vioolsonate in A – het scherzo ín het langzame deel opgenomen. Deze symfonie werd in de jaren zestig van de vorige eeuw uitgevoerd door Eduard Flipse met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Een recensie sprak toen van ‘de tragiek van Berwald.’ En omschreef die aldus:

De tragiek van Berwald is, dat verrassende elementen op de keper beschouw toevoegingen blijken te zijn aan een idioom dat in principe traditioneel is.

Berwald is in zoverre een noords componist, omdat hij zonder de traditie te verloochenen nieuwe wegen wees.

Denemarken
Als je je afvraagt wat het cliché van de Deense muziek is, dan helpt een wandkleed in het stadhuis van Odense je op weg. In dit wandkleed heeft de kunstenaar de muziek van Carl Nielsen willen vangen in het idee van een zomer op het eiland Funen: zacht, warm en vredig. Zoiets als het andante uit Nielsens symfonie Espansiva (1910-’11). Maar daarin komt na zo’n vredig stukje ook iets anders: een pulserende mars aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog en ook haast een protest tegen het clichébeeld van de vriendelijke en zachtmoedige Deen.
Een wezenlijk, ironische karaktertrek kom je ook terug in recentere Deense composities. Je zou het kunnen verklaren uit een zeker non-conformisme, een onafhankelijkheid van heersende ismen die de Scandinavische muziek eigen is. ‘Sobere en eerlijke muziek, vrij van modeverschijnselen’ was het credo van de Zweedse componist Wilhelm Stenhammer, die vanaf 1910 bevriend was met Carl Nielsen.

Noorwegen
Een uitzondering is misschien de muziek van de Noorse componist Farteín Valen, wiens werk na 1934 niet meer door Norsk Musikforlag werd uitgegeven, omdat er geen nationalistische gevoelens in werden uitgedrukt, maar atonale experimenten. Ernst Vermeulen schreef een interessant artikel over hem in Mens en melodie (november/december 1991). Hierin probeert hij aan te tonen dat de componist bij uitstek een Scandinavisch componist is, in de traditie van Edvard Munch, de schilder, en de Zweedse schrijver August Strindberg.

Finland
De bekendste Finse componist is uiteraard Sibelius. Constant Lambert heeft in één van zijn boeken over muziek terecht gesteld, dat diens symfonieën ‘geen Finse symfonieën zijn, maar symfonieën van een Fin’, wat een belangrijke nuanceverschil is (in: Music ho! London 1985, p. 162).

Scandinavische muziek bezit samenvattend eigenschappen die toegankelijk zijn voor een groter publiek. Traditionele en moderne elementen gaan erin samen, de muziek is vaak grillig en aardgebonden. Het is meer dan plezierige speelmuziek, het bergt een zekere diepte in zich. Of zoals een boekenrecensent eens schreef over de Zweedse jeugdboekenschrijfster Maria Gripe: ‘mooi, filosofisch en een tikkeltje aan de ernstige kant’ (Rindert Kromhout in: de Volkskrant, 14 april 1987).

http://www.vangoghmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/munch-van-gogh/munch-van-gogh-cultuurprogramma

Een compositie – een schilderij

Ary SchefferEen hedendaagse Nederlandse compositie die een onuitwisbare indruk op mij heeft gemaakt, is Flux/Reflux (Eb/Vloed) van Willem Jeths, een orkestwerk dat geheel in het teken staat van de dood: die van de moeder van de componist en die van zijn oud-leraar Tristan Keuris. ‘Door het aanstrijken van flexatone en vibrafoon wordt de muziek door een zowel intense als verstilde aura omgeven’, aldus Ernst Vermeulen in een recensie (NRC Handelsblad, 29 mei 2000).

 
Je kan het ook anders verwoorden. De in juni 2000 na een ernstige ziekte overleden dirigent Richard Dufallo zegt als achttiende gast in Wim Kayzers Van de schoonheid en de troost: ‘De Amerikaanse dichter Wallace Stevens zei: “Dood is de moeder van de schoonheid”.’ Daarvoor hoef je alleen maar die schitterende dichtregels van Ida Gerhardt te lezen:

Waar is mijn Vader? Is hij in het licht?
Hij lag verheerlijkt, toen hij was gestorven.
Ziet hij, van aangezicht tot aangezicht?

Of te kijken naar het portret dat Ary Scheffer in 1839 maakte van zijn overleden moeder (zie afb.). Of – inderdaad – te luisteren naar Flux/Reflux, ‘een ijle muzikale draad, waaraan we ons met de schoonheid en de troost moeten vastklampen’, om nogmaals Richard Dufallo te citeren, al had hij het hier over Mahlers negende symfonie. De woorden gelden immers net zo goed voor Flux/Reflux, waarvan Emile Wennekes de sfeer raak trof in het tekstboekje bij een CD-opname ervan: ‘Het is alsof stadsrumoer stil valt, wanneer de rouwstoet het kerkplein is genaderd. De wind zweept langs de toren, de spiegelglazen van de belendende kantoren weerspiegelen de lijkstoet in veelvoud’.

‘De magie is’, zei Frank Scheffer eens over zijn films, ‘dat je hoe dan ook voelt dat het klopt, dat het met elkaar te maken heeft (…). Het is een vorm van ethiek (…). Het gaat om de ziel achter de muziek. En als je zoekt naar de ziel achter de muziek, kom je altijd bij het leven zelf.’ Of – hoe raar het ook klinkt – bij de dood.

Herplaatsing van een gedeelte van een artikel in: De Rode Leeuw, nr. 121 (6 september 2000), p. 24-25, n.a.v. de nominatie van Willem Jeths voor de Amsterdamprijs voor de Kunst 2014 van het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK).