Hohe Messe om door een ringetje te halen

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: de Hohe Messe van Joh. Seb. Bach zoals die gisteravond tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht in TivoliVredenburg klonk was om door een ringetje te halen!

Het Adagio waarmee het Kyrie begint, beloofde een ingetogen en milde Hohe Messe te worden. De aanzetten in de blazers van het orkest bevestigden dit, net als die van het koor in het Largo dat erop volgt. Of, laat ik eerlijk zijn: het voorafgaande Preludium in b kl.t. BWV 544, door Bert Jacobs gespeeld op het nieuwe barokorgel van Van Vulpen zette al de toon – heel wat milder van klank dan Lorenzo Ghielmi eruit haalde bij de ingebruikname afgelopen vrijdag, wellicht door een wat kwistig gebruik van de discant. Het orgel legde in het Laudamus in de mis zelf een prachtig fundament, waarbij de organist via de concertmeester (Tuomo Suni) communiceerde, omdat leider Lionel Meunier, die als bas in het koor meezong, helemaal rechts op het podium stond en de speeltafel zich helemaal links bevindt. Vooral in het Agnus Dei kwam het orgelfundament mooi uit de verf, steviger uiteraard dan we van een kistorgel gewend zijn.

De milde aanzetten in het koor en orkest, Vox Luminis zorgden er aan de ene kant voor dat het Miserere nobis uit het Qui tollis peccata mundi extra droevig klonk en aan de andere kant dat felle accenten, zoals in het Domine Deus extra fel klonken.
Het tweede wat duidelijk opviel, was de doorzichtigheid van de klank van zowel koor (inclusief solisten) en orkest. Neem de dialoog tussen hobo’s en trompetten in het Gloria die prachtig naar voren kwam of het pareltje Confiteor unum baptisma. En ook wanneer er geen solopartijen werden geblazen of gestreken, waren de orkestrale bijdragen van hoog niveau, zoals bijvoorbeeld de stuwende fagotten in het Osanna.

En dan hebben we het nog niet gehad over de vocale solisten die wanneer zij duetten zongen qua klank prachtig op elkaar aansloten, zoals het mooie, lichte vibrato van beide sopranen in het Christe Eleison, de sopraan en de tenor in het Domine Deus of de sopraan en alt in het Et in unum na de pauze.

Buitengewoon opvallend was tenslotte de passage in de basaria Et unam sanctum apostolicam ecclesiam zonder de oboi d’amore, waarin de solist ook even terugnam. Hierin leken de uitvoerenden niet alleen hoorbaar maar ook voelbaar te willen maken wat in het lijvige programmaboek werd omschreven als een vraag: ‘Wilde Bach de grenzen van de individuele overtuigingen overschrijden en een universele boodschap muzikaal verklanken?’ Je zou het haast denken. Een uitvoering van grote klasse, dat was het!

Hemel en aarde

Maria KeohaneEen kniesoor die er vanavond bij het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg te Utrecht op lette dat de cantate Jauchzet Gott in allen Landen BWV 51 van Joh. Seb. Bach niet specifiek voor kerst is bedoeld, maar ‘et in ogni tempo’ – een soort reservecantate dus. Een kerstjubel, dat kon je er wel in horen.

Zeker als je zulke solisten tot je beschikking hebt als vanavond: de zeer indrukwekkend zingende Zweedse sopraan Maria Keohane (zie afb.) en de trefzekere trompettist Robert Vanryne van het Orkest van de Nederlandse Bachvereniging dat onder leiding van Jos van Veldhoven vol pit begeleidde.

Het was niet alleen Jauchzet Gott maar ook met nadruk in allen Landen – een prachtige accentwisseling die je aan het denken zette; zo werd de volgende zin (Was der Himmel und die Welt) al aangestipt, zodat een grote tekstuele eenheid ontstond en het hart van de goede verstaander even opsprong.
Hemel en aarde vloeiden vervolgens als het ware ineen op de toon van een orgelpunt dat vanuit het kerstlied In dulci jubilo overging in een deel uit het Concerto grosso in g kl.t. op. 8 nr. 6 van Torelli.

Keohane keerde terug in de cantate Unser Mund sei voll Lachens BWV 110 die het gedeelte voor de pauze afsloot, naast de krachtige tenor Charles Daniels en bas Matthias Winckhler en altus Alex Potter, wiens stem in de aria ‘Ach Herr, was ist ein Menschenkind’ mooi kleurde met de open klank van de oboe d’amore.
In deze cantate gebeurde iets soortgelijk fraais als in BWV 51: de tekst van het duet ‘Ehre sei Gott’ werd ook hier door accentueringen nadrukkelijk van twee kanten belicht: Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden und den Menschen ein Wohlgehfallen!

Het gedeelte na de pauze had een soortgelijke opbouw als voor de pauze: begonnen werd weer met een cantate, nu Süsser Trost, mein Jesus kommt BWV 151, gevolgd door Es ist ein Ros entsprungen dat nu overging in de Pastorale uit het Concerto grosso op. 1 nr. 8 van Locatelli.
Het kerstconcert in een tot de nok gevulde grote zaal van TivoliVredenburg werd besloten met het Gloria in excelsis Deo BWV 191 van Bach, een driedelige cantate op Latijnse tekst waarin Bach de opening en het slot uit de Hohe Messe opnieuw gebruikte. Ook hier viel de nadruk op het in terra, de vrede op aarde. Om ons in te prenten dat het dáár om gaat. Toen, in de tijd van Bach, en nu.

Herhalingen: 19 december Haarlem, 20 december Amsterdam en 23 december in Tilburg.
http://www.bachvereniging.nl