Tijd en ruimte

Een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar en een recente cd van de Mark Haanstra en Oene van Geel deden mij weer een keer grijpen naar het schitterende boekje De sabbat. Zijn betekenis voor de moderne mens van Abraham Joshua Heschel.

Dat zit zo. In Alkmaar vallen schilderijen van onder meer Salomon van Ruysdael van de Grote of St. Laurenskerk te zien (zie afb.). Onder meer, want er vallen ook al even mooie foto’s en een film van die kerk van Hans van der Meer te bewonderen.
Van der Meer heeft het er over dat de kerk in de tijd van Ruysdael in de ruimte was gezet, terwijl we de kerk nu meer in de tijd plaatsen. Dat wil zeggen: de kerk was in de tijd van Ruysdael (ca. 1664) een landmark, terwijl het gebouw nu kan worden getoond, zoals in de film, met verstrijkend licht – door de dag en de seizoenen heen verschietend van licht naar donker en van intensiteit.

‘Het grote probleem [voor rabbijn Shimeon, ca. 130, EvS] was’, schrijft Heschel, ‘tijd en niet ruimte; de opdracht was hoe tijd in eeuwigheid te veranderen en niet hoe de ruimte te vullen met gebouwen, bruggen en wegen; en de oplossing van het probleem ligt eerder in studie en gebed dan in meetkunde en techniek’ (p. 42).

En daar komt de nieuwe cd Shapes of Time van Haanstra & Van Geel (Zennes Records) om de hoek kijken. Muziek van grote klasse. Jazz of geïmproviseerde modern-klassieke muziek, dat is mij om het even. Als je de cd opzet, klinkt de muziek in het hier-en-nu. Terwijl je ernaar luistert verstrijkt de tijd, als bij een film van Van der Meer. En ook weer niet: er gebeurt iets met je, en het lijkt of tijdloosheid je overvalt. Of er sprake is van een eeuwigheid in de zin van Heschel.
Bassist Haanstra (die ik nog niet kende) en altviolist Van Geel (wiens werk ik al geruime tijd bewonder) lieten zich inspireren door een andere fotograaf: Udo Prinsen. Op de omslagfoto van het boekje bij de cd verschijnt niet zozeer een landschap zoals dat bij een Ruysdael op de voorgrond van zijn schilderij prijkt, maar de verstrijkende tijd. Dat hoor je terug in de muziek, met kleine verschillen in ritmiek; Haanstra met zijn ‘lopende bas’ (bij barokmuziek spreken we van een basso continuo) en Van Geel die er, de jazzmuziek eigen, net even een fractie daarna komt. Prachtig – die muziek, die schilderijen in Alkmaar. En nog steeds dat boekje van Heschel dat ik eens in de zoveel tijd móet herlezen.

Het kwaad het hoofd bieden


Op zaterdag 12 mei jl. hield ik voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie in de Thomaskerk een lezing n.a.v. mijn MA-scriptie. Ik onderzocht daarin, in het kader van de studie kunst- en cultuurwetenschappen, in hoeverre een literair werk in staat is te voorzien in de door Susan Neiman (foto rechts) in haar filosofische studie Evil in modern thought (
Het kwaad denken, 2002) gesignaleerde lacunes in het begrippenapparaat van de filosofie.

Tijdens deze ochtend werd, na Neimans studie kort in kaart te hebben gebracht, de vraagstelling omgebogen, en bekeken in hoeverre het werk van twee godsdienstfilosofen, Ingolf U. Dalferth en Jean-Claude Wolf, een alternatief kan bieden om het kwaad te duiden. Met andere woorden: op welke punten zijn twee theologische studies in staat te voorzien in de door Susan Neiman gesignaleerde lacunes bij het thematiseren van het kwaad? De tekst van deze lezing plaats ik hier.

  1. Inleiding

Op de een of andere manier heb ik voor zowel mijn Bachelor- als mijn Masterscriptie gekozen voor een filosoof waarbij de uitspraak van de naam discutabel is. Voor mijn Bachelor schreef ik een scriptie over Emmanuel Levinas – gewoon: Le, zonder accent erop, al wordt zijn naam vaak uitgesproken als Lévinas, wat op zich wel te verklaren is.
En voor mijn Master schreef ik een scriptie over Susan Neiman – door de één (onder anderen Colet van der Ven, die haar interviewde) uitgesproken op zijn Amerikaans: Nieman, door de ander op zijn Duits als Neiman. Ook deze twee varianten zijn te verklaren, – de filosofe werd in 1955 geboren in Amerika, maar haar joodse voorouders komen uit Rusland en Polen. Tegenwoordig woont en werkt ze in Berlijn als directeur van het Einstein Forum. Hoe dan ook – ik kies vanmorgen, al dan niet terecht, voor de meest gebruikte uitspraak ‘Neiman.’
Met deze inleidende woorden heb ik automatisch in de slipstream daarvan al enkele biografische gegevens aangestipt, waarbij ik het ook wil laten om meteen in het diepe te springen met haar hoofdwerk: Het kwaad denken. Daar wil ik nu namelijk eerst kort een samenvatting van geven en de hoofdlijnen ervan schetsen, alvorens ik de vraag beantwoord of de theologie lacunes in haar filosofie zou kunnen aanvullen en hoe dan. Iets wat overigens niet geheel buiten de scope van Neimans denken ligt; zij zegt op een gegeven moment in haar boek dat filosofie zonder theologie (en literatuur, maar dat laten we hier buiten beschouwing) slechts kan komen tot ‘fragmentarische antwoorden’ (p. 29).

  1. Korte samenvatting

Neiman onderscheidt – om met de korte samenvatting te beginnen – twee uitingen van het kwaad: natuurlijk en moreel kwaad, en twee denkrichtingen hierover. Natuurlijk kwaad staat voor natuurgeweld, dat zij laat beginnen met de aardbeving van 1755 in Lissabon, en uit ernstige ziekten, – moreel kwaad is het door mensen verrichte kwaad wat zij laat eindigen met Auschwitz. Twee plaatsnamen (Lissabon en Auschwitz) die staan voor de ineenstorting van een basaal vertrouwen in de beschaving en die tevens het begin en het einde vormen van de moderniteit, dat wil in Neimans visie zeggen: de (mede)verantwoordelijkheid van de mens die niet langer de schuldvraag bij een hogere orde legt.
Wat Neiman overigens laat liggen, is het feit dat natuurlijk en moreel kwaad in elkaars verlengde kunnen liggen. Bijvoorbeeld wanneer huizen willens en wetens zó goedkoop worden gebouwd, dat zij per definitie niet bestand zijn tegen een aardbeving of tsunami, of wanneer misoogsten en ontbossing hongersnood tot gevolg kunnen hebben of wanneer economische oorzaken (de gaswinning in Groningen) tot aardbevingen leiden.

Terug naar de twee denkrichtingen. De eerste omvat het denken van Rousseau tot Hannah Arendt, de tweede de lijn die van Voltaire tot Jean Améry. De eerste lijn behelst een poging om het kwaad te begrijpen, in de tweede wordt gesteld dat men het kwaad vanuit de moraliteit bekeken juist níet moet proberen te vatten.
De vraag waar het dan eigenlijk ten diepste om draait, is niet of het gaat over het al dan niet geloven in een Almachtige God die ingrijpt en de mens voor zijn zonden straft, maar over wat de menselijke rede vermag of waaraan deze tekort komt. Op dat punt komt de theologie in beeld.
Laten we nu na deze zeer korte samenvatting, het boek wat nader bekijken.

       3.    De titel: Het kwaad denken

Om te beginnen de titel: Het kwaad denken. Hieruit blijkt, duidelijker dan in de oorspronkelijke titel Evil in modern thought, Neimans verwantschap met het werk van Hannah Arendt, die ze ook veelvuldig citeert. ‘Denken’ verwijst naar Arendts Thinking (1977). Volgens Arendt is denken één van de voorwaarden om je van het kwaad te onthouden. Hierbij kunnen overigens meteen al drie dingen worden aangetekend:

  1. Dat het gaat om logisch denken; het correct uit gegeven beweringen (premissen) een bepaalde conclusie trekken – Neiman hecht hier veel waarde aan
  2. Dat Neiman erkent, dat de ratio haar beperkingen heeft
  3. Dat Neimans geschiedopvatting die uit Het kwaad denken spreekt, kan worden omschreven als een categorie die ‘ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen’. Geschiedenis wordt op deze manier door haar als een vooruitgangsgeschiedenis gezien en hoop zou je met Wessel ten Boom ‘de geloofstaal van Israël’ kunnen noemen. Hier kom ik op terug.

Vervolgens het woord ‘kwaad’. Wie in Neimans studie naar een definitie hiervan zoekt, zal deze niet vinden. ‘Het’ kwaad kan volgens haar niet onder één noemer worden gebracht. Bovendien is een overkoepelende definitie onmogelijk, omdat Neiman natuurlijk en moreel kwaad onderscheidt, van Lissabon tot Auschwitz.
Wat volgt, is een boek waarin de auteur zowel een historisch als een conceptueel kader geeft en waarin zij denkers vanaf de Verlichting volgens de twee lijnen of perspectieven indeelt die ik hiervoor al aangaf:

  1. Een optimistische denklijn, van Rousseau tot Hannah Arendt, waarin moraliteit vereist dat het kwaad wordt begrepen
  2. Een pessimistische manier, van Voltaire tot Jean Améry, waarin wordt gesteld dat we vanuit de moraliteit juist níet moeten proberen het kwaad te begrijpen.

Beide denklijnen zal ik nu nader invullen.

  1. Twee denklijnen

Ik zal mij wat de eerste denklijn betreft beperken tot de beide uiteinden ervan: Jean-Jacques Rousseau en Hannah Arendt, en laat alles wat Neiman daaraan vooraf laat gaan (Alfonso de Wijze, het Bijbelboek Job enz.) omwille van de tijd buiten beschouwing.
Rousseau behoort tot de optimistische denklijn, omdat de positie die hij inneemt, uitzicht biedt op een oplossing. Hij gaat namelijk uit van de vrijheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Als het zo is, dat de kennis van goed en kwaad leidde tot de zondeval, dan kan die kennis ook worden ingezet om de zonde te overwinnen. Neiman schrijft dan:

Het kwaad kwam in de wereld door een reeks natuurlijke, begrijpelijke, maar vermijdbare (en dus vrije) processen. Door dezelfde natuurlijke, maar vermijdbare (en dus vrije) processen aan te passen, kan het kwaad worden overwonnen (p. 72).

Hannah Arendt, aan de andere kant van de tijdslijn die Neiman trekt, stelt in haar beroemde boek Eichmann in Jerusalem uit 1963 dat het kwaad er bij Eichmann vooral in gelegen was, dat hij bevelen van hogerhand opvolgde zonder er bij na te denken. In deze gedachteloosheid, concludeert Arendt, schuilt het kwaad. Er is veel kritiek op deze stellingname geweest, onder anderen van de kant van de filosoof Gershom Scholem; hij verweet Eichmann eerder gebrek aan inlevingsvermogen.

Dan de tweede denklijn, van Voltaire tot Jean Améry.
Door het gehele werk van Voltaire treffen we de opvatting aan, dat wat mensen elkaar aandoen veel erger is dan welke natuurramp ook. Moreel kwaad moet worden uitgebannen. Voltaire ziet geen enkel verband tussen natuurlijk en moreel kwaad. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld.
Jean Améry tenslotte, pseudoniem van Hans Mayer, schrijver en overlevende van verschillende kampen die in 1978 zelfmoord pleegde, keert volgens Neiman terug naar de metafysica, in die zin dat hij waar Auschwitz symbool voor staat als iets onuitsprekelijks beschouwt; na zijn beroemde boek Schuld en boete voorbij, heeft Améry niet meer over de kampen geschreven, maar gezwegen. Hij was de mening toegedaan dat je het kwaad moet voorkomen, door te proberen te begrijpen hoe in ieder mens een beul schuilt.
Neiman zelf eindigt het hoofdstuk over de tweede denklijn met de constatering dat het denken over het kwaad zowel een waarom-vraag is als de verwondering van een kind nodig heeft. Verwondering ervaren we op de momenten dat we de wereld, even, zien zoals hij zou moeten zijn, maar we moeten ook het lijden in de wereld onder ogen zien zonder het te romantiseren en dus misschien zelfs door het te willen begrijpen.
Maar wat is dan het alternatief, als dit er al is? De categorische imperatief van Immanuel Kant (‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’) of de gulden regel van Hillel ( ‘Wat jij verafschuwt, doe dat ook je naaste niet. Dat is de hele Torah, de rest is commentaar. Ga heen en leer!’)? Daarmee komen we aan bij alternatieven die enkele wijsgerig theologen wellicht kunnen bieden.

  1. Ingolf Dalferth

Dalferth is een Duitse wijsgerig theoloog wiens werk zich beweegt op de grens van filosofie en hermeneutiek. Het boek dat ik bij mijn Masterscriptie betrok heet Malum. Theologische Hermeneutiek des Bösen. Volgens Dalferth is het kwaad de afwezigheid van het goede, of – zoals Sytze de Vries een keer zei – daar waar God niet is of wil zijn.

Dalferth onderscheidt het kwaad op twee fronten: 1) als een denkprobleem (Het kwaad denken) en 2) als een levensprobleem, en – net als Neiman – als natuurlijk kwaad (pijn en het lijden dat we ervaren) en moreel kwaad (misdaad), als malum physicum en malum morale. De overeenkomst bestaat uit het leed dat zij veroorzaken.
Ten aanzien van natuurlijk kwaad maakt Dalferth een kanttekening. Hij gaat hierbij in op de categorie ‘ervaren.’ Een begrip dat volgens hem leidt tot problemen en onwenselijke consequenties. Hij stelt dat het kwaad pas kwaad is wanneer het iemand schade toebrengt en leed veroorzaakt. Van fysiek kwaad kan alleen sprake zijn wanneer natuurverschijnselen leed toebrengen aan zowel mens als dier. Een aardbeving die geen mensenlevens kost, valt daar volgens hem dus niet onder, waarmee hij het psychische leed dat deze wel degelijk kan veroorzaken veronachtzaamt.
De oorsprong van het kwaad en het leed dat het toebrengt, zoekt Dalferth niet in God, maar in het geschapene zelf dat keuzes kan maken en verantwoordelijkheid draagt. De oorsprong wél in God zoeken, is volgens hem een provocatie die vergaande gevolgen kan hebben, tot uiteindelijk het binnen zowel bepaalde stromingen van het jodendom als christendom levende idee dat de Sjoah Gods straf is voor zogenaamd ongeloof van joden aan toe of – binnen het christendom – het feit dat de joden niet tot het christendom over willen gaan.
Dalferth komt uit bij een God die lijdt áán de schepping en meelijdt mét Zijn schepping, een God die aanwezig is in het lijden, een God die inbreuk doet in de geschiedenis en ons oproept mee te helpen die geschiedenis te voltooien. Immers: ook Neiman kent, zoals we zagen, geschiedenis als een categorie die ‘ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.’ Alleen gaat zij hier verder niet op in.
De vraag is nu, waarop je deze hoop kunt bouwen. Daarvoor gaan we te rade bij Jean-Claude Wolf, hoogleraar ethiek in Freiburg (Zwitserland), die zich ook intensief met het thema ‘kwaad’ bezighoudt.

  1. Jean-Claude Wolf

Wolf maakt zich in zijn studie Das Böse en – nog duidelijker – in een lezing die hij op 20 november 2014 in Bamberg hield voor de Unesco-Welttage der Philisophie een wending richting hoop. Daarmee geeft hij niet alleen een invulling die aan immanentie doet denken, maar vult zo tevens een lacune in het filosofisch denken van Neiman op.

In genoemde lezing benoemt hij het begrip ‘hoop’ als een ‘voor christenen en niet-christenen een soortgelijke houding als homo viator, als pelgrim, die de waarheid nog niet helemaal in pacht heeft, maar alleen stukjes daarvan.’ Een uitspraak die overigens doet denken aan de eerder geciteerde opvatting van Neiman, dat filosofie gefragmenteerde antwoorden heeft op het kwaad.
Vervolgens richt Wolf zijn aandacht op het verloop van het begrip ‘hoop’ binnen de filosofie, vanaf de Verlichting. In die periode begint de mens er volgens hem eindelijk mee om de geschiedenis zelf vorm te geven. Het lot is niet langer in handen van goden en tirannen. De geschiedenis zelf maken, houdt volgens hem revolutie, democratie en mensenrechten in. Wolf vervolgt met de hoop te zien als een gave, waarbij hij verwijst naar een beroemde vraag van Kant – Neimans lievelingsfilosoof; zij beschouwt zichzelf als Kantiaan – ‘Wat mogen wij hopen?’ Dus niet: wat kúnnen of wat zúllen wij hopen?
Tenslotte bespreekt Wolf de plaats die de hoop inneemt binnen het existentialisme. Hierin is ‘de hoop er om de heldhaftige overwinning van wanhoop en berusting in een wereld van het absurde te weerstaan.’ De auteur gaat hierbij in op het werk van de schrijver Albert Camus die, zoals Neiman reeds aan het eind van haar studie liet zien, de hoop overhoudt om een halt toe te roepen aan het idee dat de anderen de hel zijn, zoals Sartre meent. Wolf legt een ander accent en ziet de hoop als homo viator, als mens die onderweg is en moet werken aan een betere wereld waarin verzoening mogelijk is.
We naderen het eind en stellen ons de vraag: zijn Dalferth en Wolf in staat om de lacunes op te vullen die Neiman in het begrippenapparaat van de filosofie signaleerde?

Conclusie

Ik wil nu tot een conclusie komen.
Neiman stelt dat het denken over het kwaad stoelt op het vertrouwen in het denken, de menselijke ratio. Veel denkers zeggen haar dat nu ook nog steeds na. De mens moet in volle bewustzijn kiezen tussen goed en kwaad. Een veronderstelling die nauw samenhangt met een optimistisch vooruitgangsgeloof in de maakbaarheid van de samenleving.
Dalferth corrigeert dit deels en stelt daar iets naast of tegenover. Om te beginnen dat het kwaad geen denkprobleem is, zoals Neiman stelt, maar een existentieel probleem. Wolf laat het belang zien van het exodus- of uittochtmotief; volgens de predikant Ad van Nieuwpoort in de voetsporen van Karel Deurloo enkele weken terug in zijn preek tijdens een dienst in deze kerk hét Bijbelse motief bij uitstek, waarop ook het Opstandingsverhaal is gebaseerd. Een motief dat Wolf bij uitstek in het perspectief van hoop en verzoening plaatst. Hoewel de uitgangspunten van beide denkers, Wolf en Dalferth, op een christelijke achtergrond en interpretatie berusten, gaat deze interpretatie dit kader te boven. Immers: het menselijk lijden dat Dalferth beschrijft, en het pelgrimsmotief dat Wolf aan de menselijke ervaring hecht, kunnen ook seculier worden geduid.
De vraag is dan niet alleen of grote noties als vergeving en verzoening al dan niet mogelijk zijn, maar ook of, en zo ja hoé mensen in het klein, in het dagelijks leven samen kunnen leven. Zuid-Afrika, maar niet alleen daar, heeft aangetoond dat dit kan. Niet alleen door aan een betere samenleving te werken, maar ook door de hoop toe te laten dat dit kan. Daar staat een ook in het Westen inmiddels bekend begrip als het Zuid-Afrikaanse ‘ubuntu’ voor; wij kunnen het kwaad uitbannen en samenleven, omdat we elkaar, haast Levinasiaans, in de ogen kijken en met elkaar in gesprek gaan.
Hiermee komen we bij de niet-westerse filosofie, die Neiman niet bij haar studie heeft betrokken. Nog een lacune – maar dat is een ander verhaal.

Omslagontwerp (links boven): Yve du Bois (afbeeldingen: Goya en Roger Toulouse, gebaseerd op de omslagen van resp. Evil in modern thought van Susan Neiman en Le rapport de Brodeck van Philippe Claudel.

Omhoog getrokken

Wat een prachtig beeld roept de Willibrord-vertaling van het Hemelvaartverhaal op: Jezus is niet ten hemel gevaren, maar hij werd opgeheven, als een beker wijn tijdens een Avondmaalsviering of op een 18de eeuwse ets (zie afb.).

Op de dag af kreeg ik een gedicht met het thema ‘Hemelvaart(sdag)’ toegeworpen waarin hetzelfde beeld werd omgebogen en zo misschien de kern van Hemelvaartsdag op ultieme wijze weergeeft. Het beeld zit in een gedicht onder de titel ‘Hemelbestorming (II)’ van de jonge schrijfster Pauline Kruithof (zie hieronder).
Het gaat, als ik het goed begrijp, over een engel die ‘zweeft op een wolk en gluurt naar de aarde’. Of over Jezus zelf, daar wil ik af zijn. Meesterlijke handen, die van God, hebben de rug vurig rood gekneed, als was hij/zij een vuurvogel. Maar dat niet alleen – en daar gaat het mij nu om – ook omhoog getrokken.

Het gaat voor het eerst sinds de geboorte weer de goede kant op; volgens Henk Vreekamp het moment waarop je door de dood heengaat. Maar het is ook met moment dat leven wordt gegeven, lijkt het wel – de zinsnede ‘het / wittige dons in je lendenen stijgt je naar het hoofd’ kun je namelijk dubbelzinnig opvatten: als zaad én als witte, donzige engelenvleugels, het ‘juk’ zoals Kruithof ze even verderop noemt. Al doemt daar ook het beeld van het kruis bij op, in een evenzeer dubbele betekenis van het woord. En kan dat donzige hoofd ook op een koortsige, dromerige toestand slaan: een wattig hoofd.

De stem die mompelt (de antropomorfe God, die eerder handen had die de engel/Jezus omhoog trokken, op een wolk), dat hij/zij nu aan zichzelf moet denken, ‘hier met je zweetvoeten’ zoals het teer klinkt. Heel aards, zoals de schrijver Meno Bouzamour, auteur van Bestsellerboy over Mohamed Zebbi, een jongen van de straat, en van Mohamed, de proleet, het huis werd uitgezet omdat hij het erover had dat er in de hemel allemaal mensen met zweetvoeten rondlopen, wat door zijn streng gelovige ouders niet werd geapprecieerd.
Maar het had wél tot gevolg, dat hij zichzelf – zoals Kruithof in het gedicht zegt – uit kon rekken.

Je zweeft op een wolk en gluurt naar de aarde. De
meesterlijke handen die je rug vurig rood kneedden
trekken je omhoog – je rekt je uit. ‘Verwend kreng,
kijk hoe je erbij ligt’, mompelt de stem en je knikt

glimlacht devoot, ziet de mensen die je gewoonlijk
storen steeds kleiner worden. De zeurende pijn
in de diepste lagen bindweefsel, onder de spieren
van staal, neemt nog niet af maar voor het eerst

sinds je geboorte gaat het de goede kant op. Het
wittige dons in je lendenen stijgt je naar het hoofd
je sluit je ogen. Iemand streelt onder je haar, je juk,

je versleutelde beenderen. ‘Aan jezelf denken nu
hier met je zweetvoeten’ klinkt het teer, ‘je hebt me
tot leven gewekt terwijl de hele wereld dood is.’

De reis van Dobedo – Peter Verhelst

De reis van Dobedo en van de arend met hoogtevrees / een concept van dr. Griet Dupont ; door Peter Verhelst ; met werken van Gerhard Richter en Olafur Eliasson. -Tielt : Lannoo, [2017]. – 53 pagina’s : gekleurde
illustraties ; 33 cm ISBN 978-94-01-44691-4

Verhaal over de spannende levensreis van het jongetje Dobedo (ik-figuur) door een bos, waarin tal van thema’s uit oude mythen en sagen zijn verwerkt. Het verhaal gaat over moed en vertrouwen, dromen, de toekomst, (faal)angst, aanpassen, dood en gemis, vriendschap en liefde. Griet Dupont is kinderpsychiater, Peter Verhelst een bekend auteur die meerdere prijzen won waaronder een Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. Het doel van dit boek is de verbeelding van kinderen aan te spreken en ze op weg te helpen in hun mentale groei. Prachtig uitgevoerd met paginagrote kleurenafbeeldingen van kunstwerken van niemand minder dan de bekende hedendaagse kunstenaars Gerhard Richter en Olafur Eliasson. Hoewel de illustraties binnen het verhaal geen echte functie lijken te hebben, zullen ze bij kinderen die daarvoor gevoelig zijn, beklijven en kan het een (eerste) kennismaking zijn met moderne kunst. Het toegankelijke verhaal met veel dialogen is verdeeld over vier
hoofdstukken en daarbinnen in meerdere paragrafen. Alle titelkopjes zijn oranje gekleurd. De tekst staat in vrij grote letters. Achterin zijn per hoofdstuk meerdere vragen opgenomen, evenals overwegingen rond de thema’s die aan bod komen. Om voor te lezen aan en over te praten met kinderen van ca. 6 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Altijd onderweg

Altijd onderweg : verschillende perspectieven op de betekenis van het verlangen / Christian Van Kerckhove, Joris Van Poucke & Eva Vens (Red.). – Antwerpen ; Apeldoorn : Garant, 2017. – 193 pagina’s ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-441-3577-0

Deze bundel wetenschappelijke artikelen past in het tijdsgewricht waarin mensen op sociale netwerken verlangens najagen en door de omgeving bevestigd willen zien. Het beeld dat de buitenwereld zo van een individu wordt voorgeschoteld, staat in schril
contrast met gezondheidsklachten die erdoor worden opgeroepen, zoals burn-out en depressies. Het aldus ingekaderde begrip ‘verlangen’ wordt vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines benaderd: filosofie, psychologie, economie, kunst, antropologie, religie en spiritualiteit. In de artikelen van diverse auteurs wordt ingegaan op verschillende invullingen die vanuit deze invalshoeken aan het begrip
gegeven kunnen worden, zoals: narcisme, egoïsme, liefde, welvaart en levenskunst. De
redactie werd gevormd door docenten aan de Faculteit Mens en Welzijn van de Hogeschool Gent. Hoewel de moeilijkheidsgraad van de verschillende bijdragen
verschilt, is het merendeel van de essays goed leesbaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Plato’s oplossing voor de planeet

Plato’s oplossing voor de planeet / samengesteld en vertaald [uit het Grieks] door Gerard
Koolschijn. – Eerste druk. – Amsterdam : Uitgeverij Van Oorschot, december 2017. – 205 pagina’s ; 21 cm ISBN 978-90-282-8021-2

De classicus Gerard Koolschijn komt met een mooi uitgegeven, nieuwe keuze uit het werk van de Griekse filosoof Plato (428-348 v.Chr.). Zoals eerdere bloemlezingen is ook deze kundig samengesteld. De vertalingen zijn mooi en vrij. Ook deze uitgave toont de actualiteit van Plato’s denken aan. De bedoeling van dit boek is dat de lezer een kritische houding aan leert te nemen in een tijd waarin, volgens de tekst op de achterzijde van het boek, ‘kortzichtigheid en onwetendheid, brutaliteit en bluf opnieuw het lot van de op hol geslagen mensheid bepalen.’ Plato zocht in psychologie en politiek naar een oplossing voor de tekorten van de democratie. In vijf hoofdstukken gaat het respectievelijk over de democratische ideologie; de rechtse aanval op de moraal; argumenten voor de moraal en de ideale staat; politieke en psychische degeneratie en verdediging. De teksten komen onder meer uit de dialoog Gorgias, uit Politeia (‘De ideale staat’) en Symposion (‘Feest’). Met voor- en nawoord en een lijst van eigennamen. Bedoeld voor een breed publiek dat zich zorgen maakt over de overlevingskansen van onze planeet.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Bart Stouten – Bart Stouten over Bach

Bart Stouten over Bach : een chaconne in woorden. – Antwerpen : Uitgeverij Vrijdag, [2017]. – 142
pagina’s ; 22 cm. – Uitgave in samenwerking met Klara. ISBN 978-94-600-1606-6

Stèle (eerbetoon) voor Johann Sebastian Bach en de Italiaanse Anna Rosa, de stervende collega en vriendin van de auteur. In dezelfde vorm als Bachs Chaconne in d kleine terts voor vioolsolo, variaties boven een doorgaande basfiguur, in Stoutens geval leven en dood. Stouten werkt bij Klara (cultuurzender van VRT) en publiceerde eerder enkele romans en dichtbundels. Ook dit boek is literatuur, of zoals de auteur in zijn barokke taalgebruik zegt: ‘Mijn tekst mag op opengevouwen, kleurrijk Japans origami lijken.’ De essay-vertelling bestaat uit een min of meer doorgaand geheel, met trefwoorden in de kantlijn. Rijk, erudiet boek, zonder te vervallen in idiolatrie, maar soms wel wat ver afdwalend van het centrale thema. Voor lezers die van Bach houden en van Vlaamse auteurs als Hertmans en Lanoye.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Nieuwe collectiepresentaties en meer

Voor de website 8weekly.nl heb ik onlangs twee nieuwe collectiepresentaties bezocht en besproken, in Boijmans Van Beuningen te Rotterdam (door Carel Blotkamp) en in het Stedelijk Museum te Amsterdam (door Margriet Schavemaker naar een idee van Beatrix Ruf): http://8weekly.nl/special/collecties-opnieuw-etalage-gezet/
De eerste wil je vooral goed laten kijken, dwars door de tijd heen, en de tweede bestaat uit leermomenten en is chronologisch van opzet. Daar waar Rotterdam een grote tijd omspant (van 1300 tot nu), beperkt Amsterdam zich tot de periode vanaf 1880 tot nu. Op die manier sluiten beide presentaties onbedoeld op elkaar aan.

Het zijn niet de enige Nederlandse musea die niet lang na elkaar met nieuwe collectiepresentaties komen; voor 8weekly zal ik binnenkort de nieuwe presentaties in ‘Hof’ en ‘Hal’ (tezamen het Frans Halsmuseum in Haarlem: de centrale museumvestiging en De Hallen bij de Grote Kerk) bekijken en bespreken.
Deze afspraak is vers van de pers, of er rolt alweer een aankondiging van een nieuwe collectiepresentatie in mijn e-mailbox: van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, ‘Ars Longa, Vita Brevis; het menselijk leven in negen episodes.’ Daar gaat men (Josien Beltman) weer anders te werk in vergelijking tot Rotterdam en Amsterdam – meer, krijg ik de indruk, een beetje zoals in Haarlem. Al staat daar uiteraard de kunst van Frans Hals en reacties daarop van hedendaagse kunstenaars centraal, en zijn het in Enschede negen kunstenaars die reageren op de totale collectie van het Rijksmuseum Twenthe, die loopt van de Gouden Eeuw tot nu.
In Twenthe gaat het – lees ik in een persbericht –‘niet om de autonomie van de kunst, maar om de betekenis van de kunst voor mensen. Rijksmuseum Twenthe is het “Museum van de Verbeelding”, want het is de verbeelding waarmee wij vorm en betekenis geven aan de wereld om ons heen.’

Een van de kunstwerken, Die Treppe van Peter Zegveld, is geplaatst tegenover het 16de eeuwse doek De toren van Babel van Hendrik van Cleve. Volgens het persbericht gaat de installatie van Zegveld (foto G.J. van Rooij, links boven) ‘over de wilskracht maar ook het onvermogen van de mens (…). De trap in dit werk reikt hoog, naar de hemel, maar de menselijke figuur die Zegveld erop projecteert zit gevangen in zijn val.’

De verbeelding gaat met mij aan de haal. En wel aan de hand van een nieuwsbrief die enkele dagen eerder tussen mijn e-mails zat. Daarin stond een afbeelding van een zwarte inkttekening van Mathilde de Vriese (zie afbeelding rechts boven), die binnenkort in het Dorpshuis van Badhoevedorp exposeert (http://www.dezamenhof.nl/agenda/expositie-in-het-dorpshuis-duivendrecht). Wat we zien is een menselijke figuur die fier boven op een hoge golf staat. Het is tegelijk een boom, met vogels op de takken.
De tekening vormt voor mij het contrapunt van de installatie van Zegveld – en doet me denken – al is De Vriese boeddhist – aan Psalm 8: 5-9:

5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Indien gij niet wordt als de kinderen
6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8 Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9 Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.
10 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

De mens kan diep vallen (vs. 5), al is hij aan de andere kant ook niet minder dan een engel (vs. 6) – het is een chiasme (X, kruisvorm). Of, zoals ik lees in het eerder genoemde persbericht: ‘Het mysterie en het verlies daarvan, vrijheid en verbondenheid, de wilskracht en het onvermogen: onze realiteit wordt doorsneden door contradicties. De wereld waarin wij leven is fundamenteel tweeslachtig en de verdeeldheid die wij ervaren is onophefbaar.’

Chiasma luidt ook de titel van een orkestwerk van de Oostenrijkse Thomas Larcher dat het Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons gisteren voor het eerst in Nederland, in het Amsterdamse Concertgebouw speelde. Hij schreef in een toelichting, geciteerd in Preludium, onder meer dat het chiasme voor hem een methode is om ‘in de muziek heterogene elementen tegenover elkaar te stellen, ze in relatie te brengen, ze daardoor telkens te veranderen en in sommige gevallen ook tot een vorm samen te voegen.’ Wat we hoorden is ‘EEN hele wereld in zijn onverenigbaarheid, met zijn moorddadige veranderlijkheid, met zijn tederheid en schoonheid, zijn wreedheid en zinloosheid.’ Wat bij mij beklijfde was het uitdovende slot, met alleen een accordeon te midden van het grote orkest. Als die ene boom, die ene mens.

Marlies De Munck – Waarom Chopin de regen niet wilde horen

Waarom Chopin de regen niet wilde horen en andere vragen uit de filosofie van de muziek / Marlies De Munck. – Borgerhout : Letterwerk, [2017]. – 64 pagina’s ; 18 cm ISBN 978-90-825712-4-0

De titel van dit boekje verwijst naar een compositie van Frédéric Chopin (de zogenaamde  ‘Regendruppel-prelude’) waarin zijn minnares George Sand – volgens hem ten onrechte – het tikken van de regen hoorde. Het draait om de vraag of muziek al dan niet iets buiten-muzikaals kan uitdrukken. De auteur, docent muziekfilosofie aan de Universiteit Antwerpen – die al eerder onder meer een bijdrage aan de bundel Muziek ervaren schreef -, gaat in op deze filosofische vraag en volgt het spoor van meningen hierover. De Munck legt daarbij de nadruk op de rol die taal daarbij heeft gespeeld en de aanhangers die ofwel de vorm ofwel de inhoud van muziek benadrukken, op absolute muziek of programmamuziek. Dit heeft geleid tot een impasse. De auteur stelt op een heldere, toegankelijke manier voor, muziek als een betekenisvolle en geëngageerde ervaring te zien. Die komt alleen al luisterend tot stand. Voor lezers die zowel in filosofie als muziek zijn geïnteresseerd. Met bibliografie.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Leo Boudewijns – Marskramer van de muze

Marskramer van de muze / Leo Boudewijns. – [Baarn] : Prominent, [2017]. – 306 pagina’s : illustraties
; 21 cm. – Met bibliografie. ISBN 978-94-923951-5-3

Leo Boudewijns (1931), die verschillende functies in de nationale en internationale fonografische industrie vervulde en ruim dertig boeken over muziek op zijn naam heeft staan, beschrijft in dit boek de ontwikkeling van zijn muzieksmaak. Hij groeide op in een
arbeidersgezin in Amsterdam-Oost – waarover hij eerder Een kind van rijke ouders publiceerde – waar onder meer naar operettes werd geluisterd en zijn liefde voor de menselijke stem werd geboren. In en na de Tweede Wereldoorlog kwam daar jazzmuziek en dansmuziek bij en toen hij bij Philips ging werken werd zijn smaak niet alleen uitgebreid richting klassieke muziek, maar werd hij ook kieskeuriger.
Favorietenlijstjes getuigen ervan. Alleen die al zijn voor beginnende muziekliefhebbers
of uit nostalgische overwegingen interessant. Het boek als geheel heeft ook lezers met
sociologische interesse, of belangstelling voor de fonografische geschiedenis in
Nederland (Philips, Phonogram) genoeg te bieden. Met de nodige zelfspot en luchtig
geschreven. Inclusief foto’s.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.